Check out our science

Discover the stories of researchers at the
Faculty of Mechanical, Maritime and Materials Engineering.

Denken en praten als arts én technoloog

Denken en praten als arts én technoloog Eerste lichting bachelors Klinische Technologie Nieuwe technologieën zoals 3D-printen of sensor-chips veranderen de geneeskunde. Maar ook de operatielamp of stethoscoop kan nog beter, laten de eerste bachelors Klinische Technologie zien in hun meesterproef. Ze willen het leven van chirurgen, artsen en patiënten makkelijker maken met nieuwe techniek. Chirurgisch polslicht De brainwave kwam toen ze met de groep aan het sparren waren over hun eindopdracht, vertelt Tessa van Hartingsveldt, kersverse BSc in Klinische Technologie. Ondanks speciale operatielampen klagen chirurgen over te weinig licht. Hun eigen hoofd en handen zorgen voor schaduw. Van Hartingsveldt: “We bedachten dat licht ook van onder de handen kan komen.” Het resulteerde in een prototype van het chirurgisch polslicht: een reeks led-lampjes onder de pols. Eerste tests laten zien dat ze inderdaad meer licht brengen, precies waar het nodig is. De TU Delft, Universiteit Leiden en Erasmus Universiteit scholen sinds drie jaar gezamenlijk studenten in geneeskunde én techniek, in de bacheloropleiding Klinische Technologie. Dat gebeurt op verzoek van de zorg. Medische technologie is steeds belangrijker in ziekenhuizen, revalidatieklinieken en verzorgingstehuizen. “Dat is ook nodig vanwege vergrijzing, personeelstekort en stijgende zorgkosten”, stelt Arjo Loeve docent en onderzoeker Biomechanical Engineering aan de TU Delft en coördinator van de eindprojecten. “Een operatiekamer zonder klinisch technicus zal een zeldzaamheid worden. Die zorgt ervoor dat alle techniek optimaal wordt ingezet.” Tweetalig Als klinisch technoloog moet je echt een duizendpoot zijn, vervolgt Loeve. “Je hebt een brugfunctie tussen technologie en geneeskunde. Dat betekent dat ‘harde techniek’ je moet boeien, maar ook dat je grondige kennis hebt van geneeskunde en de taal van artsen spreekt.” In de eindprojecten, een soort meesterproef komen al die eisen samen. Zo verdiepte een groep studenten zich in geluidstechniek om de klassieke stethoscoop te ‘isoleren’. Na een groot ongeluk of ramp kan het omgevingslawaai namelijk oorverdovend zijn, probeer dan maar eens een zwakke hartslag of longruis te ontdekken. Een andere groep verdiepte zich in botreplica’s uit de 3D-printer. Waar in de productie ontstaan eventuele vormafwijkingen en hoe groot zijn die? De studenten gingen aan de slag met scantechnieken, 3D-printers, meettechnieken en statistiek en ontwikkelde een testmodel om de diverse technieken te beoordelen. Ysbrand Willink: “De afwijkingen blijken zeer klein, een paar tiende millimeter, en ontstaan vooral in de printer.” Paul Roos: “Kaakchirurgen kunnen de modellen zeker gebruiken bij de voorbereiding van de operatie, maar voor forensisch onderzoek zijn ze niet geschikt. Het verschil tussen een zaag- of mes-spoor op een bot verdwijnt bij een replica. De ‘kopieën’ zijn eventueel wel geschikt als vervangend bot.” Het stoffelijk overschot kan dan misschien worden overgedragen aan de nabestaanden terwijl bewijsmateriaal bewaard blijft. Geisoleerde stethoscoop Onderzoek isoleren stethoscoop in dode kamer ‘Alledaagse’ problemen Klinisch technologen moeten ook contact kunnen leggen met patiënten, benadrukt Lex Linsen, hoofd Studentenonderwijs Huisartsgeneeskunde bij Erasmus MC. Linsen is bedenker en coördinator van het vak ‘Van inleving naar innovatie’. Studenten ontmoeten een chronische patiënt en bedenken hoe ze hem of haar kunnen helpen. Linsen: “Het gaat dan niet om een revolutionaire dwarslaesie-operatietechniek maar juist om hulp bij hele alledaagse, hinderlijke problemen. Innovatie niet omdat het kan, maar omdat het moet.” Linsen benaderde patiëntenverenigingen met de vraag of mensen met een chronische aandoening zouden willen meewerken. Zo trokken studenten Paul Roos en Amne Mousa een dagje op met een leeftijdsgenoot met hydrocefalie (‘waterhoofd’). Ze leerden onder andere dat deze patiënten een paar maal per jaar naar het ziekenhuis moeten omdat de druk in de hersenen oploopt of juist afneemt. Dan moet de afvoersnelheid van de drain worden aangepast. Elke keer weer moet daarvoor een klein gaatje in de schedel worden geboord. Roos en Mousa presenteerden een mogelijke oplossing: plaats een druksensor in het klepje van de drain dan is het boren niet meer nodig. “Geniaal”, vindt Linsen. “En dat vonden ook de neurochirurgen. Die zeiden meteen: waarom hebben we dat zelf niet bedacht.” De smart-drain is er nog niet, benadrukt Linsen. Het gaat om een idee, een eerste ontwerp. Maar hopelijk komt er een prototype en uiteindelijk een bruikbare slimme drain. Pioniers Op 12 oktober krijgen [kregen] de ruim veertig studenten Klinische Technologie, die hun studie nominaal doorliepen, hun diploma. Hoe was het om de allereerste lichting te zijn? Van Hartingsveldt: “Omdat je de allereerste bent, zijn er nog geen oefentoetsen. En in het begin stonden we regelmatig voor een dichte collegezaal. Het roosteren met drie reserveringssystemen bij drie universiteiten liep nog niet soepel. Maar er was ook veel mogelijk juist omdat we de eersten waren. Zo mochten we bijvoorbeeld meekijken bij een openhartoperatie. Echt heel bijzonder.” Willink: “Ook voor docenten is alles nieuw. Ze staan daarom echt open voor ideeën en kritiek. Je vormt zo je eigen opleiding een beetje mee.” Een opleiding door drie partners levert ook voor docenten interessante contacten op, zegt Loeve. “Ik praat met artsen en onderzoekers die ik voorheen niet tegenkwam. Dat heeft al tot nieuwe samenwerking in het onderzoek geleid.” Overigens ook met instellingen buiten de Medical Delta. Onder de eindprojecten waren ook opdrachtgevers van het AMC en Jeroen Boschziekenhuis. Loeve: “Mijn oproep voor projectideeën heeft via-via veel mensen bereikt, ook ambulancediensten en revalidatiecentra. Dat is alleen maar mooi.” En de reacties op het onderzoekswerk zijn lovend, vertelt Loeve. “Artsen zijn echt verrast en onder de indruk van wat deze studenten in korte tijd bedenken en uitvoeren.” Van Hartingsveldt: “Voor sommige artsen was het wel wennen dat een niet-arts zich ermee bemoeit. Maar ik kwam vooral enthousiasme tegen in de ziekenhuizen en mensen die graag met ons wilden praten en meewerkten aan ons onderzoek.” Delft-Leiden-Rotterdam De bacheloropleiding Klinische Technologie leidt een nieuw soort medisch professional op. Een academicus met grondige medische én technische kennis, die een brug slaat tussen de techniek en arts en patiënt. De opleiding startte in het studiejaar 2013-2014 met honderd studenten per jaar die via een selectieprocedure worden toegelaten. De Technische Universiteit Delft is penvoerder van de opleiding. Partners zijn Universiteit Leiden (LUMC) en de Erasmus Universiteit Rotterdam (Erasmus MC). Zorginstellingen binnen de Medical Delta werken mee. De eerste veertig bachelors haalden op 12 oktober 2017 hun diploma op. Het vervolg: Technical Medicine Bachelors Klinische Technologie Paul Roos en Ysbrand Willink starten in september met de nieuwe driejarige masteropleiding Technical Medicine. Deze tweetalige MSc-studie zorgt voor verdere verdieping in geneeskunde én medische technologie. Er zijn twee specialisaties: Imaging & Intervention gericht op beeldtechnieken en Sensing & Stimulation gericht op het volgen en bewaken van de gezondheidstoestand van patiënten. Wie een BSc Klinische Technologie op zak heeft, kan ook kiezen voor een master in een van de twee basisdisciplines: geneeskunde of biomedische techniek. Voor een vervolg in geneeskunde is een schakeljaar vereist. Tessa van Hartingsveldt overweegt doorstroom naar de master Biomedische Techniek. “De technische kant spreekt me toch het meest aan. Maar ik neem eerst een tussenjaar: werken en reizen.”

Golven voorspellen op zee

Golven voorspellen op zee Ze was alvast het dek op gelopen, degene die met een vlaggetje in elke hand moest zwaaien naar de helikopterpiloot, om hem te laten weten wanneer hij precies zijn voertuig op het schip kon zetten. Op datzelfde moment haakte de kraanmachinist zijn haak op de plek waar hij de fundering voor een offshore windmolen kon optillen. Straks zou hij ‘m behoedzaam overboord zetten op de daarvoor aangewezen plek op de zeebodem. Ook het loodsbootschip lag gereed om een van de kleine bootjes overboord te zetten, waarmee later op de dag een vrachtschip de haven binnengeloodst kon worden. Alle drie bekeken ze de app die in de maritieme sector van 2030 al een tijdje gemeengoed is: de golvenradar. Dankzij dit technische snufje, ontwikkeld door Peter Naaijen, docent Ship and Offshore Hydromechanics aan de Technische Universiteit Delft, kan iedereen op zee zien of er de komende vijf minuten golven in de buurt zijn en hoe het schip daarop zal reageren. Het elegante aan deze nieuwe techniek is, dat vrijwel alle schepen al een navigatieradar hebben. Naaijen analyseert die radardata, waarin informatie zit over waar watergolven zich bevinden en hoe hoog die zijn. Dankzij zijn innovatie is het een stuk veiliger geworden om op zee offshore operaties te verrichten. Peter Naaijen image: Jort van der Jagt Tot op zekere hoogte zijn golfcondities op zee nu al voorspelbaar, alleen zijn die voorspellingen niet zo specifiek. “Je hebt daar niet zoveel aan, want je wil precies weten waar en wanneer die golven zijn”, zegt dr.ir. Peter Naaijen. Met die kennis kunnen namelijk ongelukken in de offshore industrie worden verminderd: helikopters crashen niet meer op schepen, omdat het dek onverwachts dichterbij komt en zware lasten kunnen voortaan van het ene op het andere schip gezet worden zonder te botsen en schade te veroorzaken. Daarnaast hoeven installateurs van windmolens niet meer te wachten tot de zee weer rustig is en al helemaal niet meer terug te varen naar de kust, omdat de golven te hoog zijn om te kunnen werken. Het is zelfs mogelijk om in slecht weer een moment te vinden dat het even rustig is. Dit bespaart enerzijds downtime , tijd die schepen aan wal moeten blijven en zorgt anderzijds ervoor dat schepen niet meer onverrichter zake uitvaren. Dit bespaart zowel tijd als geld, maar ook brandstof. “De marges in de windindustrie zijn klein”, zegt Naaijen, “je wint heel veel uren als je niet meer hoeft te wachten en je op meer uren per dag en meer dagen per jaar je offshore operaties kunt uitvoeren”. Het voorspellen van golven kun je het beste vergelijken met het voorspellen van regen. “Vergelijk het met een weerbericht dat voor Nederland dertig procent kans op regen voorspelt, dan weet je ook niet precies waar en wanneer die regen gaat vallen. Een buienradar is veel plaats- en tijd-specifieker en daarom vaak zinvoller om een nat pak te voorkomen. Onze golfradar is daarom goed te vergelijken met die buienradar. Tijdens mijn promotieonderzoek heb ik aangetoond dat het mogelijk is om 2,5 minuut van tevoren te voorspellen hoe hoog de golven rondom een schip zullen zijn”, zegt Naaijen. Of en wanneer een schip uitvaart wordt bepaald aan de hand van de sea state , een soort kengetal om de heftigheid van de golven aan te geven, net zoals beaufort een kengetal is voor de windsterkte. “Stel dat een golf van drie meter hoogte de uiterste limiet is voor een operatie die twee minuten duurt. Bij een sea state 4 zal zo’n schip dan niet uitvaren, omdat de kans dat een golf van drie meter hoog voorbij komt dan veel te groot is”, legt Naaijen uit. “Maar in de praktijk blijkt dat 93 procent van de tijd bestaat uit intervallen van tenminste twee minuten, tijdens welke die drie meter hoogte niet wordt overschreden! Dus als je exact weet wanneer die hoge golven optreden, kun je dat moment vermijden en blijft er nog ruim voldoende tijd over om je klus veilig te klaren. Je kunt dus potentieel enorme besparingen halen doordat schepen bij hogere sea states vaker uit kunnen varen en minder lang aan wal hoeven te wachten”. moeilijkheden bij werkzaamheden aan boord door hoge golven Hoe werkt zo’n golfradar precies? De meeste schepen beschikken nu al over alle hardware om golven te voorspellen, voor de technologie is dus geen grote investering vereist. “We gebruiken de navigatieradar van het schip zelf. Op dit moment geeft die aan waar andere boten zijn en waar de kust precies is, zodat het schip daar niet tegenaan vaart”, zegt Naaijen. “Maar eigenlijk ontvangt de radar nog veel meer informatie, namelijk waar alle golven in het water zich bevinden”. Dat zit zo: een radar zendt electromagnetische golfjes uit die botsen tegen watergolven aan, zodat de antenne ze weer ontvangt. Op dit moment wordt die informatie weggefilterd, omdat ze voor de kapitein niet interessant zijn. “Wij tappen die ruwe radardata juist af, zodat we ze met allerlei slimme algoritmes kunnen analyseren. Eigenlijk gebruiken we dus een afvalproduct”. Inmiddels is Naaijen met een oud-studiegenoot het bedrijf Next Ocean gestart en kreeg hij van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) subsidie om de golvenradar app daadwerkelijk te ontwikkelen. “Partijen uit de industrie zoals Boskalis en Allseas hebben me aangemoedigd om mijn onderzoek te vertalen naar een product, omdat daar in de offshore wereld veel vraag naar is”, zegt hij. De eerste afnemer is al bekend: het bedrijf Allseas is de eerste die haar schepen gaat uitrusten met de Next Ocean Wave Predictor. “We noemen onze software zo, maar eigenlijk is het meer een ship motion predictor ”, zegt Naaijen met een trotse glimlach. Eind 2017 verwacht hij de software klaar te hebben. In 2018 zouden offshore medewerkers op schepen ook op mobiele apparaten moeten kunnen zien hoe hoog de golven zijn, zodat ze weten wanneer ze hun werk het beste kunnen uitvoeren”.

Een spannende nagelknipper

Een spannende nagelknipper Engineering for forensics Een goede nagelknipper kan het verschil betekenen tussen een moordenaar achter de tralies of op vrije voeten. “Je kunt nog zulke hightechapparatuur in je forensisch laboratorium hebben staan, als je er niet het juiste bewijsmateriaal in stopt, vind je nooit de dader.” Wattenstaafjes, plakband en pincet zijn belangrijk gereedschap voor forensisch onderzoekers. Bewijsmateriaal verzamelen op de plaats delict is handwerk. “Low-tech. En daar is niets mis mee”, benadrukt onderzoeker Arjo Loeve, Delfts projectleider Engineering for Forensics bij 3mE. Loeve houdt van technologie maar ook van eenvoud. “Hoe eenvoudiger een instrument, hoe makkelijker het te gebruiken en schoon te maken is. En hoe kleiner ook de kans op besmetting.” Maar low-tech betekent zeker niet dat het werk eenvoudig is. Forensisch onderzoekers moeten onder tijdsdruk snelle keuzes maken. Waar zijn sporen te vinden? Hoe stellen we ze veilig? De plaats delict kan immers een drukke snelweg zijn, een krappe kelderruimte of een strand bij laag tij. Ervaring en deskundigheid spelen een belangrijke rol. Loeve: “Juist daarom denk ik dat engineering nog veel kan bijdragen. Door betrouwbaardere of snellere instrumenten te ontwikkelen, maar ook door modelering. Wat is bijvoorbeeld de meest efficiënte volgorde om sporen te verzamelen in een bepaalde setting?” Polyestervezel van textiel met sporenmateriaal Stempel met plakband voor het verzamelen van sporen Loeve, opgeleid als biomedical engineer , belandde min of meer bij toeval in het forensisch onderzoek. “Ik had een boeiend gesprek op een verjaardagsfeest met iemand van het NFI.” Het gesprek leidde tot een gezamenlijk onderzoeksproject. Ze wilden antwoord op de vraag hoe groot de kans is op DNA-versleping bij lichamelijk onderzoek na een zedendelict. Versleping is het onbedoeld en onopgemerkt ‘meenemen’ van DNA van de ene plek naar de andere tijdens het onderzoek. Loeve experimenteerde met waarheidsgetrouwe modellen in het laboratorium, en schrok van de bevindingen. Met de klassieke methode–speculum en wattenstaaf–is de kans op versleping meer dan zestig procent. “Terwijl of je dader-DNA op of in het slachtoffer aantreft, uiteindelijk het verschil tussen vrijspraak en veroordeling kan zijn.” Hoog tijd dus voor een nieuwe methode. “We ontwikkelden een ring met een soort plastic zakje eraan dat het wattenstaafje afschermt. In de negentig tests in het laboratorium zagen we geen enkele maal versleping. We hopen dat het snel in de praktijk gaat worden getest.” Al snel volgden er meer onderzoeksprojecten. Loeve probeert bijvoorbeeld samen met het AMC en NFI de schatting van het tijdstip van overlijden van slachtoffers preciezer te maken. “Nu is er vaak een marge van uren. Met nieuwe sensoren (TU Delft) en rekenmodellen (AMC) die het lichaamsgewicht en allerlei omgevingsfactoren meewegen, denken we dat terug te kunnen brengen tot onder een half uur.” Ook ontwikkelt Loeve handzame instrumenten voor forensisch onderzoekers die een luchtdicht pak moeten dragen omdat de plaats delict gevaarlijk is. Sommige van de onderzoeksprojecten hebben duidelijk raakvlak met Loeves biomedische onderzoek. Een voorbeeld is een studie naar het shakenbabysyndroom, de schade die baby’s oplopen door heftig schudden. Loeve: “Om mensen te kunnen vrijpleiten of juist veroordelen is meer kennis nodig over welke schade ontstaat bij schudden en welke door bijvoorbeeld vallen. Dat helpt overigens ook om betere voorlichting te geven aan ouders.” Loeve gebruikt hierbij kennis uit al langer lopend onderzoek naar hoe en wanneer botten breken. “Ik merk steeds vaker dat onze medische en forensische onderzoeksprojecten raakvlakken en zelfs overlap hebben.” Series zoals CSI en NCIS waren een groot succes. Hoe spannend is Loeves ‘ crime lab’ ? “Wij doen zelf geen onderzoek op een plaats delict of in echte zaken. Ik praat wel veel met forensisch onderzoekers en lees casusrapporten om een goed beeld te krijgen van de praktijk.” Het gaat dan nooit om lopende zaken, benadrukt Loeve. “En geloof me sommige details had ik liever niet geweten. Wie denkt dat serieschrijvers teveel morbide fantasie hebben, vergist zich.” De dossierkennis mag schokkend zijn, triest en heftig, het drijft Loeve ook juist. “Het maakt wel duidelijk dat je bijdraagt aan iets belangrijks. Het is helaas nodig wat wij doen.” Nodig is bijvoorbeeld de nieuwe nagelknipper die Loeve samen met zijn studenten en het NFI ontwierp. Het prototype is uitgebreid in het laboratorium beproefd en wordt momenteel doorontwikkeld. “Een nagelknipper klinkt weinig sexy of spannend”, grinnikt Loeve. Maar onder nagels kun je DNA-sporen aantreffen van dader of slachtoffer. Of materiaal dat iets verklapt over recente activiteiten of de omgeving waar hij of zij was. De nieuwe Delftse nagelknipper maakt het mogelijk nagels te knippen van een verstijfde vuist zonder dat de vingers gebogen hoeven te worden. De nagel kan bij het knippen niet wegspringen. En het knipbekje is snel verwisseld voor een schoon exemplaar. Zo kun je linker- en rechterhand makkelijk apart knippen. Loeve: “De wetenschap dat iets met de linker- of rechterhand gedaan is, kan cruciaal bewijs zijn.” Wat was er technisch het lastigst? “Er was niet echt een eurekamoment. We hebben stapje voor stapje het ontwerp aangepast totdat het aan alle vereisten voldeed. Een zo eenvoudig mogelijk instrument, snel en goed te reinigen en waarmee je in alle situaties aan twee handen genoeg hebt.” Bij de ontwikkeling van een nieuw instrument is het vooral belangrijk om ideeën los te kunnen laten en goed te luisteren naar wat echt nodig is, stelt Loeve. “De eenvoudigste oplossing blijkt uiteindelijk vaak de beste.” Arjo Loeve Co van Ledden Hulsebosch Center De Delftse faculteit 3Me is sinds vorig jaar officieel partner in het CLHC, het Co van Ledden Hulsebosch Center. Dit onderzoekconsortium in de Forensische wetenschappen werd in 2013 gestart door wetenschappers van de Universiteit van Amsterdam, het Amsterdam Medisch Centrum (AMC) en het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). Het is vernoemd naar de eerste Nederlandse forensisch wetenschapper Co van Ledden Hulsebosch die in 1929 medeoprichter was van de International Academy of Criminology . Loeve is coördinator vanuit Delft: “Het CLHC brengt extra contacten en expertise. Zo’n consortium is prettig: korte lijntjes naar allerlei wetenschappers en bijeenkomsten waar je nieuwe mensen spreekt en problemen kunt delen.” Lowlands Crime Lab 175 maal werd er tijdens Lowlands 2016 een ‘moord’ gepleegd voor de wetenschap. Dat gebeurde in een Crime Lab ingericht door de Hogeschool van Amsterdam, TU Delft, Politie en het NFI. Meer dan zeshonderd festivalgangers brachten een bezoek. Bijna tweehonderd smoorden met een kussen een etalagehoofd met beschilderde handen, wat 175 kussens met ‘smoorsporen’ opleverde. Voordat de moordenaars los gingen op het etalagehoofd, hadden ze eenzelfde sloop netjes om een kussen gedaan, ook met geschilderde handen. Arjo Loeve was erbij: “We onderzoeken zo of er een herkenbaar verschil is tussen gewone afdruksporen op hoofdkussens en sporen veroorzaakt door geweld.” Online cursus Forensic Engineering Forensisch onderzoek vind je op veel meer plaatsen dan je zou denken. Zo worden forensisch ingenieurs ingeschakeld voor het analyseren van allerlei situaties waarbij technische systemen (lijken te) hebben gefaald. Zoals bij de gaswinning in Groningen, neerstortende vliegtuigen of patiënten in ziekenhuizen die besmet worden door bacteriën die worden overgedragen via chirurgische instrumenten. Samen met Karel Terwel (Civiele Techniek) en Michiel Schuurman (Lucht & Ruimtevaart) zet Arjo Loeve een Massive Open Online Course op. Deze gratis cursus “Forensic Engineering – Learning from Failures” vind je op www.edX.org en start medio oktober.

Een dieet voor staal

Minder verschillende elementen, beter te recyclen Als het aan Erik Offerman ligt, dan gaat staal op dieet. Hij denkt dat de helft van de legeringselementen in staal overbodig is. Dat is duurzamer, beter voor het milieu en maakt staal beter te recyclen. Terwijl de kwaliteit van het populaire constructiemateriaal er niet onder hoeft te lijden, aldus Offerman. De Delftse materiaalkundige doet zijn gewaagde stelling op basis van zijn expertise in de microscopische structuur van staal. En die is bepalend voor de eigenschappen, vertelt hij. "Staalmakers voegen allerlei elementen toe om de juiste eigenschappen te krijgen. Chroom, vanadium, nikkel, niobium, molybdeen en ga zo maar door: elk staaltype heeft zijn eigen elementencocktail. Ons onderzoek laat zien dat je met nauwkeurige procesbeheersing óók die eigenschappen kunt krijgen – of beter - door de microstructuur in te stellen. Zonder dat je al die extra elementen nodig hebt. Meer met minder." Offerman is een warm pleitbezorger van grondstoffenefficiënt produceren: wat je niet nodig hebt moet je ook niet gebruiken. 'Zuinig zijn met elementen' is op zich al duurzaam, maar in het geval van staal is er nog een belangrijk voordeel. De recycling wordt er namelijk een stuk eenvoudiger op als er minder verschillende legeringselementen worden gebruikt. Veel elementen zitten elkaar 'in de weg' en zijn alleen met veel energie van elkaar te scheiden. Offerman: "We zien nu dat recycling vaak tot laagwaardiger staalproducten leidt, waarin elementen zich ophopen. Hoe minder verschillende elementen er in staal zitten, hoe kleiner dat probleem en hoe beter je de kwaliteit kunt beheersen. Dan komt een echte kringloop binnen handbereik, waarin geen waarde verloren gaat." Grondstoffenefficiënt ontwerpen: groeien zonder knoeien De groeiende wereldeconomie heeft steeds meer grondstoffen nodig en dat brengt een groeiende milieubelasting met zich mee. Kranten hebben het vooral over de CO 2 -emissies vanwege de klimaatproblematiek, maar de lokale milieubelasting van metaalmijnen liegt er ook niet om. De Verenigde Naties concludeerden het al: voor een duurzame ontwikkeling moet er een ontkoppeling komen van de economische groei en de wissel die dat trekt op het milieu en de aardse reserves. Ook voor Erik Offerman is het zonneklaar dat we op weg moeten naar een grondstoffenefficiënte, circulaire economie. "Dat is een enorme uitdaging waar ik graag een bijdrage aan wil leveren", zegt hij. Offerman stelt dat de discussie rond de beschikbaarheid van elementen zich ten onrechte afspeelt rond high-tech producten als de smartphone. 'Een aantal van die elementen vind je ook in staal. Als je naar het percentage kijkt dan stelt het niet zo veel voor: soms gaat het slechts om tienden van procenten in staal. Maar staal wordt in gigantische hoeveelheden geproduceerd: meer dan een miljard ton per jaar. Dan praat je ook voor wat betreft de legeringselementen over aanzienlijke hoeveelheden." Eye opener Dat Offerman zich in zijn materiaalonderzoek laat leiden door duurzaamheidsaspecten is bijzonder. "Zoals zoveel materiaalkundigen heb ik jarenlang op de vierkante micrometer gewerkt zonder het grotere geheel in ogenschouw te nemen. Zo konden we in 2013 over een staalvariant publiceren met een veel grotere brandweerstand. Zo'n soort staal had wellicht het instorten van de Twin Towers in New York kunnen voorkomen, of er tenminste aan kunnen bijdragen dat ze ondanks de brand langer waren blijven staan. Dan was er meer tijd geweest om mensen in veiligheid te brengen. Alleen hadden we voor dat staal gebruik gemaakt van het element niobium. Dat wordt vooral in Brazilië gedolven; dat land beheerst meer dan 90% van de markt. Dat is een geopolitiek risico dat staalproducenten liever vermijden. Dus onze vinding, die technisch een aardige doorbraak was, bleek in de praktijk weinig zinvol." Deze "eye-opener" deed Offerman realiseren dat onderzoekers niet alleen de diepte in moeten gaan, maar zich ook in de breedte moet ontwikkelen. "Je moet je bewust zijn van de uitdagingen en veranderingen in de maatschappij. Dat probeer ik in ons onderwijs nu ook aan de studenten mee te geven." Overigens is de ontwikkeling van het hittebestendige staal zeker niet voor niets geweest. "We kijken nu of we staal met behulp van vanadium vergelijkbare eigenschappen kunnen geven. Dat doet ongeveer hetzelfde als niobium, maar is een veel breder beschikbaar element." Complexe staalproductie Offerman legt uit dat het er bij het maken van staal om gaat de juiste mix te realiseren van verschillende soorten microkristalletjes (ferriet, martensiet en austeniet, zegt de kenner). Die verschillen van elkaar in atomaire opbouw en de toegevoegde legeringselementen bepalen voor een groot deel welke kristalletjes ontstaan. Maar, en daar gaat het Offerman om, óók de manier waarop het staal tijdens de productie wordt behandeld heeft grote invloed. En juist omdat moderne staalfabrieken dat complexe productieproces zó goed in de vingers hebben, zijn allerlei legeringselementen in de praktijk niet nodig. Offerman ontwikkelde de afgelopen jaren verschillende computermodellen die daar inzicht in bieden en zo komt hij op zijn stelling over het staaldieet. Offerman: "De modellen geven een gefundeerde indicatie van wat mogelijk is. Maar natuurlijk moeten we nu experimenten gaan doen. Eerst om onze modellen te verbeteren, en uiteindelijk om te kunnen aantonen dat je echt wel goed staal kunt maken met minder elementen." Hij is ervan overtuigd dat dit weerklank zal vinden in de industrie: "Een grondstoffenefficiënte materiaalkringloop leidt uiteindelijk tot kostenreductie. Fabrikanten hoeven minder dure elementen in te kopen en kunnen goedkoper recyclen. Als wij laten zien wat er kan, zal daar zeker belangstelling voor zijn." Staalproductie is een complex proces. Het begint met gesmolten ruwijzer waaraan kleine percentages van de andere elementen worden toegevoegd (het 'legeren'). Dat mengsel wordt gegoten, afgekoeld en gewalst tot staven, platen en rollen staal. Dat is, althans, de simpele uitleg. In de praktijk passen de fabrikanten uitgekiende mechanische en warmtebehandeling toe, waarbij het staal wordt verhit en vervolgens weer wordt afgekoeld, langzaam of snel, vaak meerdere keren, bij steeds andere temperaturen. Ook bij het walsen van het staal, soms warm, soms koud, weet de producent precies welke instellingen tot welke soort staal leiden. Zelfs de machines van de klanten van de staalfabriek, zoals de persen van de auto-industrie, dragen bij aan de definitieve eigenschappen van het eindproduct (een autocarrosserie bijvoorbeeld). Offerman heeft veel contact met Tata Steel IJmuiden en werkt ook samen met Koninklijke NedSchroef uit Helmond, een internationale producent van schroeven, bouten, moeren en andere bevestigingssystemen ('fasteners'), onder andere voor de automobielindustrie. Researchdirecteur Emmy Öhlund van Nedschroef deelt Offerman's visie dat er een toekomst is voor elementarme legeringen. Samen onderzochten ze een nieuwe, zeer sterke staalvariant uit Japan, die onverwacht ook zeer goed bestand bleek tegen hoge temperaturen. Door systematisch de relatie tussen de gebruikte legeringselementen, microstructuur en eigenschappente onderzoeken konden ze daar een verklaring voor geven. Het leverde hen vorig jaar de Sawamura Award op van het gezaghebbende Japanse ijzer- en staalinstituut ISIJ. Belangrijker nog was dat het onderzoek aan het licht bracht dat slechts drie procent aan legeringselementen toch in adequate eigenschappen resulteerde, juist bij hoge temperatuur. Terwijl de daarvoor nu beschikbare staalsoorten vaak zijn 'volgepompt' met legeringselementen. De gehaltes lopen op van vijftien tot soms wel veertig procent. "De eigenschappen van zulke superlegeringen zijn soms veel beter dan waar we behoefte aan hebben, maar we gebruiken ze omdat de staalfabrikanten niets anders voor ons in het assortiment hebben", aldus Öhlund. Ze ziet zeker mogelijkheden voor elementenarme, goedkopere staalvarianten, maar maakt wel de kanttekening dat de daadwerkelijke toepassing van nieuwe materialen een lange adem vergt: "Bij veeleisende afnemers zoals de auto-industrie is een nieuw materiaal pas geschikt als het allerlei tests heeft doorlopen en gecertificeerd is. Dat kan lang duren. Zo verkopen we sinds kort een nieuwe fastener die we al in 2009 voor het eerst hebben gepresenteerd." Een nieuw materialensysteem Volgens Offerman lopen Nederlandse en Belgische staalonderzoekers voorop waar het gaat om het ontwikkelen van nieuwe duurzame staalsoorten. "Ik weet niet precies wat er binnen de muren van de industriële laboratoria gebeurt, maar in het academisch onderzoek ken ik relatief weinig wetenschappers die ons perspectief hanteren. Ik denk dat we hier als materiaalkundigen en als TU Delft echt iets kunnen betekenen. Ik zou het geweldig vinden als we er in slagen het materialensysteem opnieuw uit te vinden, opnieuw te ontwerpen, zodat we een gesloten kringloop kunnen realiseren, met relatief weinig energieverbruik en zonder milieuproblemen." Erik Offerman maakt met zijn onderzoek onderdeel uit van het Leiden Erasmus Delft Centre for Sustainability, het interuniversitaire samenwerkingsverband op het gebied van duurzaamheid. Hij leidt er projecten op het gebied van grondstoffenefficiëntie en materiaalkringlopen. Met zijn Delftse collega's richt hij zich met name op (productie)technische aspecten, in Leiden neemt men milieu-aspecten in ogenschouw en de Erasmusuniversiteit is gericht op bedrijfsmatige aspecten. Offerman participeert ook in het Raw Materials project van het European Institute of Innovation and Technology (EIT), dat wereldwijd één van de grootste initiatieven is op weg naar een meer duurzaam gebruik van grondstoffen. Hij is een van de weinige staalonderzoekers in het consortium met meer dan honderd partners uit twintig Europese landen.

3D-printing en origami

Image reproduced by permission of Shahram Janbaz from Materials Horizons, 2016 DOI: 10.1039/C6MH00195E De nieuwste botprotheses rollen uit een 3D-printer. Precies op maat en met holtes waarin eigen bot groeit. Maar het kan nog beter, nog natuurlijker, denkt onderzoeker Amir Zadpoor. Met origami van biomateriaal. De chirurg stapt even opzij. Een scanner zoeft zachtjes over en rond de patiënt op de operatietafel. In de hoek komt een apparaat tot leven, dat even later een plaatje met kleine en grote perforaties en ‘rafels’ uitspuugt. Het valt in een bakje met vloeistof. Langzaam zwelt en ontvouwt het zich en krijgt uiteindelijk precies de dimensies van het gat dat de chirurg zojuist maakte om een grote bottumor te verwijderen. Die klikt de prothese snel op de juiste plek. Zo stelt Amir Zadpoor van de TU Delft zich de toekomst voor. “De botprothese bestaat uit een poreus, gelaagd materiaal dat probleemloos hecht aan het eigen bot,” voorspelt hij. “En het groeit snel vol met nieuw, gezond, stevig bot zodat het als twee druppels water op echt bot lijkt, en levenslang meegaat.” Dat is nu nog toekomstmuziek, maar ook een logisch vervolg op wat er al kan in de kliniek: meer eigen bot behouden dankzij implantaten op maat uit de 3D-printer. Sander Dijkstra, orthopedisch chirurg in het LUMC, gebruikt soms al geprinte implantaten. “Jonge mensen met een tumor in het dijbeen kan ik nu vertellen dat ze wellicht weer kunnen rennen na de operatie.” Hij hoeft namelijk niet het hele kniegewricht weg te nemen zoals voorheen. “Laatst vertelde een patiënt dat hij weer hardloopt. Geweldig toch, daar doe je het voor.” Poreus De geprinte protheses die Dijkstra gebruikt, zijn nu gedeeltelijk poreus. Dat is mede dankzij het werk van materiaalkundige Zadpoor: “Met de 3D-printer kun je eenvoudig een poreuze prothese maken die toch stevig is. Zo’n implantaat heeft een veel groter oppervlakte. Dat betekent dat een antibacteriële laag op de buitenzijde veel effectiever is. Maar nog belangrijker: in die holtes kan eigen bot groeien. Dat zorgt voor betere hechting en extra stevigheid.” En dat is welkom, want bijna een op de zeven implantaten moet opnieuw worden vervangen, weet Dijkstra. “Implantaten kunnen na verloop van tijd losraken én ze slijten. Zeker jonge patiënten lopen daarom kans dat hun prothese vervangen moet worden.” Additively manufactured (3D printed) porous biomaterials aimed for bone tissue regeneration manufactured at the Additive Manufacturing Laboratory, TU Delft (Medical Delta © de Beeldredacteur). Als 3D-geprinte protheses langer meegaan, waarom worden dan niet alle implantaten geprint? Zadpoor: “Een geprinte prothese is relatief duur. Bij het maken zijn nu nog veel specialisten nodig. Ik verwacht dat de kosten nog flink naar beneden zullen gaan de komende jaren. Dan zouden ook standaardimplantaten inderdaad uit de 3D-printer kunnen komen.” Toch verwacht hij nog niet snel 3D-geprinte heupprotheses op de markt. “Dat is zo’n geperfectioneerd product met weinig complicaties, dan moet het voordeel groot en overtuigend bewezen zijn. Dat vergt eerst langetermijnonderzoek.” Schouderblad Dijkstra plaatst op dit moment “eens in de vier maanden” een geprinte prothese. Want het is zeker geen standaardoperatie. De orthopeed is een van de pioniers. De 3D-printer staat ook nog niet in de operatiekamer, maar bij een gespecialiseerd bedrijf: Implantcast (Duitsland). Dijkstra: “Ik maak een botscan en bepaal welk gedeelte van het been echt weg moet. In een speciaal computerprogramma ontwerpen we dan een precies passend opzetstuk dat net boven de knie komt. Die koppelen we met een standaardpin aan het gezonde bovenste deel van het dijbeen.” Het hele proces van eerste ontwerp tot operatie duurt nu zeven weken. Arts en ingenieur ontwerpen in nauw overleg over de beste oplossing voor die ene patiënt. Die krijgt in die tussentijd een chemokuur om mogelijke uitzaaiingen te bestrijden. De groep patiënten waar het om gaat -jonge mensen met ernstige bottumoren- is gelukkig klein. En de techniek komt vooralsnog alleen in beeld als een standaardprothese geen goede oplossing biedt. Dijkstra verving zo ook al eens een half schouderblad en een deel van een bekken - botten waarvoor geen standaardprotheses bestaan. Dijkstra: “Een nieuw product betekent altijd een risico. Er kan een onverwacht nadeel opduiken, ook op lange termijn. Dat besef ik als arts terdege. We behandelen eerst de groep die er het meest baat bij 3D-geprinte protheses heeft. En volgen hen langdurig en nauwkeurig.” Van alle 3D-geprinte implantaten die Dijkstra gebruikt, wordt bijvoorbeeld ook een kopie geprint. In het laboratorium in Delft testen onderzoekers wat er misschien nog beter kan. Origami Om de geprinte prothese nog beter met het lichaam te laten vergroeien, wil materiaalkundige Zadpoor eigenlijk het ‘onmogelijke’ realiseren. Sinds een jaar of tien is duidelijk dat een bepaald oppervlaktepatroon op implantaten de aangroei van botcellen stimuleert. Waarschijnlijk lijkt dit patroon op het natuurlijk oppervlak van bot en nestelen botvormende cellen er daarom graag op. Zadpoor wil protheses maken waarbij dit patroon ook in de poriën zit. Maar het gaat hier om een nanopatroon: ribbels ter grootte van een paar duizendste millimeter. Zadpoor: “Zo’n nanotopografie kun je maken met technieken uit de chipindustrie, maar alleen op vlakke oppervlakten. De techniek is dus eigenlijk niet te combineren met 3D-printen.” Met ‘zelfvouwende materialen’ wil de onderzoeker dit dilemma oplossen. “Denk aan origami”, begint Zadpoor zijn uitleg. “Daar begin je met een vlak stuk papier, maar het resultaat is een heel complex gevouwen vorm.” Het idee is om vlakke structuren te printen en daar vervolgens het juiste nanopatroon op aan te brengen. Daarna volgt een vouwtruc. Het geprinte materiaal bestaat uit laagjes passieve en actieve polymeren. Die krimpen of zwellen wanneer de temperatuur stijgt, als ze in water belanden of als er licht op schijnt. Zadpoor: “Wij combineren ze zo dat vlakke vormen zichzelf kunnen uitvouwen of vanzelf oprollen.” Self-folding origami Miljoenen De Europese Unie beloonde Zadpoors idee in 2015 een beurs van 1,5 miljoen euro (ERC-grant). De eerste zichtbare resultaten zijn er nu: een trap wordt onder water een DNA-streng en een raamwerk krimpt ineen tot ‘kippengaas’. Maar hoe leidt dit fraaie origamiwerk nu tot een poreus implantaat met nanopatroon waarmee Dijkstra zijn patiënten kan helpen? Zadpoor: “Wij laten nu de principes zien waarmee 2D-vormen zichzelf kunnen opvouwen tot 3D-structuren. Dat is fundamenteel onderzoek. Het is nu een kwestie van flink knutselen om er uiteindelijk echte implantaten met levenslange garantie mee te maken.” Self-twisting of DNA-inspired constructs Om dat einddoel te bereiken werkt Zadpoor samen met verschillende ziekenhuizen in en buiten de regio, met grote en kleine bedrijven en is deelnemer aan grote, internationale onderzoeksprojecten zoals het onlangs gestarte miljoenenproject PRosPERoS ( PRinting PERsonalized orthopaedic implantS ). Zijn lab in Delft is een belangrijk knooppunt in de ontwikkeling van nieuwe biomedische materialen. Toch had Zadpoor nu ook bij SpaceX of Boeing kunnen werken. Hij promoveerde in de Lucht- en Ruimtevaarttechniek. “Ik heb zes jaar geleden heel bewust de switch gemaakt van vliegtuigmaterialen naar biomaterialen. Want niets is uiteindelijk mooier dan te helpen om mensen beter te maken.” Lees hier het persbericht. Nederlandse media Door origami geïnspireerd botherstel Nemo Kennislink, 25 oktober 2016 Origami en 3D-printen voor zelfbouwende materialen De Ingenieur, 22 oktober 2016 TU Delft gebruikt origami voor 3d-objecten met oppervlaktepatroon Bits & Chips, 24 oktober 2016 TU Delft combineert 3D-printen met orgimami-technieken voor implantaten ICT & Health, 1 november 2016 3D-printen en origami bij ontwikkeling zelfvouwende medische implantaten (video) Engineersonline.nl, 23 oktober 2016 Zelfvouwend origami-botweefsel uit de 3D-printer BNR radio, 24 oktober 2016 Zelfvouwende medische implantaten door 3D-printen en origami Nano House, 30 oktober 2016 Kennis van Nu, 2 maart 2017: Internationaal 3-D printing and origami techniques combined in development of self-folding medical implants Phys.org, 21 oktober 2016 TU Delft researchers pioneer self-folding medical implants using 3D printing and origami techniques 3ders.org, 24 oktober 2016 3D Printing and Origami Could Yield Self-Folding Medical Implants Engineering.com, 24 oktober 2016 Self folding medical implants 3dprint.com 3D PRINTING & ORIGAMI TECHNIQUES FOR MEDICAL IMPLANTS 3dprintersonlinestore.com, 2-11-2016 3d-printing and origami techniques combined development self folding medical implants ECNmag.com http://it.sohu.com/20161029/n471739916.shtml http://md.tech-ex.com/engineering/2016/47549.html Bio Focus: Nanopatterned self-folding origami may open up new possibilities in tissue engineering MRS Bulletin, 28 november 2016 Bio Focus: Nanopatterned self-folding origami may open up new possibilities in tissue engineering MRS Bulletin, 7 november 2016 Shape Memory Polymers to Create Origami-like Biomplants EdgyLabs, 8 november 2016 3D printanje i origami tehnike u kombinaciji razvoja samosklopivih medicinskih implantata Skala.ba, 6 november 2016 TU Delft researchers develop self-twisting of DNA-inspired constructs (VIDEO) 4dpmmconference.com, 26 oktober 2016 Amir Zadpoor

Weefsels lezen met licht

Bij kanker-operaties is het uiteraard zaak dat een tumor volledig verwijderd wordt. Om dit zo goed mogelijk te doen baseert de chirurg zijn operatieplan op beelden die tijdens de diagnostische fase gemaakt worden met beeldvormende technieken. Tijdens de operatie is hij dan grotendeels aangewezen op zijn zintuigen. Volgens Benno Hendriks, deeltijdhoogleraar Optics for minimally invasive instruments bij de TU Delft en Research Fellow bij Philips Research in Eindhoven, kan dit beter. Te vaak blijft een stukje aangetast weefsel achter of is gezond weefsel beschadigd door de operatie. Dit kan leiden tot her operaties, extra behandelingen en slechtere patiëntuitkomsten. Meer terugkoppeling tijdens de operatie kan uitkomst bieden. Hoe? Volgens Hendriks door de toevoeging van optische terugkoppeling in medische instrumenten. Eenvoudig gezegd draait dat om het herkennen van weefsels met behulp van licht. Verschillende moleculen absorberen en zenden licht uit op verschillende golflengtes. Wij zien dat als kleur; daarom is bloed bijvoorbeeld rood en vetweefsel geel. “Met spectroscopie kijken we naar die kleuren van het licht aan de hand van die golflengtes. Daarmee kunnen we nauwkeuriger onderscheid maken dan het oog kan”, zegt Hendriks. Biopsienaalden van glasvezeltechnologie Dat fenomeen heeft hij de afgelopen jaren onder meer toegepast om biopsienaalden van optische terugkoppeling te voorzien. Hendriks legt uit: “Als je bijvoorbeeld een biopt moet nemen in een long, dan beweegt die tijdens de procedure door de ademhaling. Dus hoe nauwkeurig je vooraf gemaakte röntgen- of MRI-beelden ook zijn, er blijft kans op onnauwkeurigheid tijdens het plaatsen van die naald.” Om dat te verhelpen, hebben Hendriks en zijn collega’s biopsienaalden van glasvezeltechnologie voorzien. “De uiteinden van de glasvezels komen op de tip van de naald. Eén glasvezel fungeert als lampje en schijnt licht het weefsel in; een andere glasvezel neemt het licht dat door het weefsel gegaan is weer op en dat signaal wordt naar een detector gestuurd”, legt hij uit. Op die manier kan worden uitgelezen of het om normaal of afwijkend weefsel gaat. Tenminste, dan moet natuurlijk wel eerst duidelijk zijn hoe je normaal en afwijkend weefsel van elkaar onderscheidt. Daar is heel wat onderzoek aan vooraf gegaan. “Ik heb in ziekenhuizen allerlei weefsels in verschillende situaties gemeten”, vertelt Hendriks. “Om te beginnen op de pathologieafdeling met weefsels afkomstig van patiënten.” Hij werkte hier onder ander voor samen met het Nederlands Kanker Instituut. Gewapend met de kennis over het weefsel moest vervolgens de technologie in de biopsienaalden worden verwerkt. “Dat is nog best complex, omdat het een bewegend systeem is. De laatste stap in de ontwikkeling is dan dat je je instrument in de praktijk valideert.” Marktintroductie Na al die stappen in de ontwikkeling is het aan het bedrijfsonderdeel – van Philips of een andere onderneming – om te kijken of het de juiste tijd is voor de marktintroductie. Geld speelt daarbij uiteraard een rol. Hendriks deed bijvoorbeeld ook onderzoek naar de mogelijkheden voor een vergelijkbaar systeem voor weefselherkenning bij regionale anesthesie. “Bij regionale anesthesie moet je de naald heel dicht bij de zenuw brengen. Zit je er te ver vandaan, dan werkt het niet. Doe je het op de verkeerde plek, dan kun je de zenuw beschadigen”, vertelt hij. Spectroscopische beeldherkenning van het zenuwweefsel zou daar goed bij kunnen helpen. “Maar een anesthesienaald is een vrij goedkoop hulpmiddel. Er zit altijd een grens aan wat de technologie mag kosten. Als zo’n anesthesie- of biopsienaald door de innovatie te duur wordt, zal die toch niet gebruikt gaan worden.” Slim chirurgisch mes Hoewel het misschien lijkt of nieuwe technologie vooral kosten toevoegt, kunnen er in werkelijkheid juist veel medische en maatschappelijke kosten mee bespaard worden. Een van de ideeën die Hendriks nog meer heeft is het aanpassen van de veelgebruikte elektrische operatiemessen, waarmee weefsel wordt weggebrand. “Je zou zo’n mes slim kunt maken, zodat de tip van het mes het weefsel herkent voor je gaat snijden”, legt hij uit. “Het snijdt alleen als je op de knop drukt en dat kun je uitstekend verwerken in de terugkoppelingslus. Als die een signaal geeft dat je moet stoppen, stopt het mes onmiddellijk.” De spectroscopische weefselherkenning als voor bijvoorbeeld de biopsienaalden is echter niet een-op-een te gebruiken. “Dit is een stuk complexer, want als je snijdt, verander je ook het weefsel in de omgeving van het mes een beetje. Vergelijk het met vlees dat bruin wordt als je het bakt. Dat heeft dus invloed op de optische signalen die je krijgt.” “We moeten daarom eerst allerlei onderzoek doen naar de interactie van het mes met het weefsel”, gaat hij verder. Terug naar af dus, en naar het pathologielab. En dat is pas het begin, want hoe integreer je vervolgens de terugkoppeling precies in het mes en behoud je tegelijkertijd de overige functionaliteit? Ook de chirurg moet bij dit onderzoek betrokken worden. “Hoe gebruikt die precies het mes? Wanneer is het voor een chirurg zinvol om terugkoppeling te krijgen? Dat zijn nog een hoop vragen die de komende jaren beantwoord moeten worden”, stelt Hendriks. Het chirurgisch mes is nog maar één voorbeeld. “Er worden veel meer instrumenten gebruikt tijdens operaties, zoals hechtmachines of apparaten om darmverbindingen te maken. Die zou je allemaal op deze manier slimmer kunnen maken en daarmee allerlei complicaties voorkomen.” Innovatie & samenwerking Integratie en samenwerking zijn daarbij onontbeerlijk. “Het toverwoord voor innovatie in de medische wereld is ‘simpel’. Het moet gemakkelijk en intuïtief te gebruiken zijn”, zegt Hendriks. “Dat is ook de insteek van Philips: als je innovaties naar het ziekenhuis brengt, zorg dan dat het niet om losse componenten gaat, maar op een totaalconcept.” Volgens Hendriks maakt het samenspel van alle partijen innovatie succesvol. “Een stuk van de oplossing ligt bij bedrijven als Philips, een stuk bij de TU Delft en een stuk bij het ziekenhuis. Je moet dus in een vroeg stadium met elkaar samenwerken.” Een goed voorbeeld vindt hij het hartkatheterisatielab, waar niet alleen diagnoses gesteld worden, maar ook stents in vernauwde slagader s worden aangebracht en zelfs vervangende hartkleppen via de lies kunnen worden ingebracht. “Iets waar vroeger een openhartoperatie voor nodig was is nu nog maar een ingreep van een aantal minuten. Je stapt bij wijze van spreken van de tafel af en kunt naar huis”, zegt Hendriks. “Dat is de kracht van de integratie van al die systemen als beeldvorming, navigatie en instrumenten. Daardoor is iets dat heel complex is toch eenvoudig gebleven.” Persoonlijke drijfveer Met zijn nieuwe leerstoel komen veel van de in de operatiekamer te integreren componenten samen. ““De TU Delft is bijvoorbeeld heel goed in systemen voor besturing en terugkoppeling van slimme instrumenten, zoals voor sleutelgatoperaties. Ook naar de workflow in de operatiekamer en het trainen van medici in het gebruik van nieuwe systemen wordt hier gekeken.” Hendriks voorziet grote mogelijkheden. “Bij de meeste operaties komt het nu nog uitsluitend aan op de kunde van de chirurg. Als je de beeldbegeleiding van de diagnostische fase naar de operatiekamer kunt brengen, ben je al een stap verder. Als je dat ook nog eens kunt combineren met sensing-technologie en terugkoppeling breng je het hele veld voorwaarts. Dat is mijn doel.” “Als Research Fellow bij Philips heb ik de kans om zelf nieuwe richtingen af te tasten en mijn onderwerp breder te exploreren”, zegt Hendriks. “Onderzoek bij een bedrijf heeft toch een andere focus: een bedrijf kiest voor dingen die nu kansrijk zijn. Een universiteit kan meer naar de lange termijn kijken.” Hij ziet zijn huidige dubbelfunctie als een mogelijkheid om die twee wel dichter bij elkaar te brengen. “Je kunt het niet alleen. Richtingen die over een paar jaar interessant kunnen worden, kun je niet allemaal aftasten als bedrijf. Aan de andere kant, is het voor een universiteit weinig zinvol om potentiele oplossingen verder te brengen en er dan jaren later achter te komen dat niemand het in de praktijk wil hebben. Juist de overbrugging van die twee situaties wil ik aan meewerken.” Lees hier het persbericht. De volgende berichten verschenen over dit onderzoek in de media: Benno Hendriks (TU Delft): ‘Weefsels lezen met licht’ kan kanker-operaties verbeteren In: FMT Gezondheidszorg, 30 november 2016 Optische instrumenten helpen bij verbetering minimaal invasieve operaties In: ICT& Health , 30 november 2016 ´Weefsels lezen met licht´ kan kanker-operaties verbeteren Drimble, 30 november 2016 ‘Weefsels lezen met licht’ kan kanker-operaties verbeteren In: Delft op Zondag , 1 december 2016 Benno Hendriks
/* */