Architectuur is niet wat architectuurhistorici erover schrijven

De geschiedenis van de moderne architectuur is meer dan een overzicht van exceptionele gebouwen. We moeten kijken hoe gebouwen functioneren, zegt promovendus Jorge Mejia Hernandez. Want als we ons concentreren op hun theoretische betekenis, wordt architectuurgeschiedenis een karikatuur. 

In zijn proefschrift ‘Transactions; or architecture as a system of research programs’ staat het begrip ‘vrijheid’ centraal. Wie blind vaart op architectuurhistoriografische beschouwingen, verliest volgens Mejía zijn vrijheid. Want die hebben als uitgangspunt dat elk gebouw onderdeel is van een onvermijdelijke loop van de geschiedenis – waarnaar de mens zich maar moet voegen. Het leidt tot mythologiseren van bepaalde gebouwen. “Als jij je laat vertellen wat een gebouw betekent en waarom het belangrijk is, verlies je de vrijheid om het zelf te ontdekken”, verduidelijkt Mejía. “Voor een architect heeft een dergelijke houding nog een andere consequentie, namelijk dat je gedoemd bent om anderen te imiteren.”

De architectuurgeschiedenis verdient een betere beoordelingsmethode, vindt de promovendus. Voor zijn argumentatie verwijst hij onder meer naar Karl Popper (1902-1994), in het bijzonder naar diens werken ‘The Poverty of Historicism’ en ‘The Open Society and its Enemies’. De Oostenrijks-Britse (wetenschaps)filosoof veegt daarin de vloer aan met het geloof, dat ijzeren wetten het verloop van de geschiedenis bepalen. De geschiedenis is niet deterministisch en op weg naar een vaststaand einddoel. Popper scherpt ook de methodiek van het wetenschappelijk onderzoek aan. Uitgangspunt daarin is veelal een hypothese, die vervolgens wordt bevestigd. Popper keert dat om: in de wetenschap moet het niet draaien om bevestiging, maar om falsificatie. 

In zijn proefschrift pleit Mejía voor een soortgelijke benadering van de architectuurgeschiedenis. We moeten niet kijken of een gebouw past in een raamwerk dat architectuurhistorici ons schetsen. Want dat leidt tot simplificatie en beperkt het blikveld, want je ziet niet wat je kunt leren van werken, die buiten de ‘canon van de moderne architectuur’ vallen. Beter kunnen we kijken welke gebouwen er juist níet aan voldoen: dat is een wetenschappelijke benadering. Mejía: “Architectuur is een hypothese, die openstaat voor kritiek.”

Hij gaat echter niet zo ver als Popper: één falsificatie hoeft niet te leiden tot complete verwerping van de hypothese. In navolging van wetenschapsfilosoof Imre Lakatos (1922-1974) stelt hij dat we op zoek moeten naar de onderliggende gedachte, datgene wat ze met elkaar gemeen hebben. Deze combinatie van theorie en hypotheses omschrijft Lakatos als ‘Research Programmes’. Zolang een dergelijk ‘onderzoeksprogramma’ nieuwe inzichten blijft opleveren, hoeft de kerngedachte niet bij het vuil te worden gezet. 

Mejía trekt die gedachte door naar de architectuur. We moeten haar leren begrijpen, door haar te bekijken als een oplossing voor een vraag. Als een ontwerp niet voldoet aan de technische vereiste of de gevraagde gebruiksfunctie, hoe zou ze dan waardevol kunnen zijn? Door te kijken naar de manier waarop bij verschillende gebouwen een vraag wordt beantwoord, kunnen architecten het relateren aan hun eigen werk – en er wat van opsteken. “Kortom, een architect moet streven naar een gebouw dat zo min mogelijk bijdraagt aan lelijkheid, niet naar uitzonderlijkheid.”