Tegenwoordig is het heel normaal om in een appartement te wonen, maar een paar eeuwen geleden was dit typisch voor de Europese hofarchitectuur. De architectuur van appartementen vertelde iets over de status van de bewoner, zo blijkt uit onderzoek van promovendus Robert Gorny. Hij schreef een genealogie van het appartement.

Lineaire organisatie van woon- en verblijfruimtes kreeg tussen de vijftiende en de zeventiende eeuw voor het eerst vorm in de paleisarchitectuur van de Italiaanse staten, Frankrijk, Engeland en Spanje. Doel ervan was om een rangorde aan te geven van bewoners met toegang tot de koning. Naast de koning en koningin hadden alleen de paus en enkele kardinalen een eigen appartement. Bezoekers volgden een route van de toegangspoort over de binnenplaats naar een staatsietrap, van waaraf ze toegang hadden tot een suite van aaneengeschakelde kamers. “Hoe hoger de sociale status van bezoekers, hoe dieper zij de suite in mochten”, vertelt Gorny.

Uit deze tijd stamt ook de “antichambre”. Deze verschenen voor het eerst in Italiaanse palazzo’s en doken later op als wachtkamer in onder meer het paleis van Versailles. Ze hadden tot doel een ruimtelijke scheiding te creëren tussen ruimtes waar mensen werden ontvangen en ruimtes waar bewoners zich konden terugtrekken. En in de politiek werden ze strategisch gebruikt om afstand tussen heersers en onderdanen tot stand te brengen. Het hele gebouw was langs zeer hiërarchische lijnen ingedeeld. In de zestiende en zeventiende eeuw begon deze hiërarchie echter te veranderen. Zo kwamen het appartement van de koning en dat van de koningin symmetrisch op dezelfde verdieping te liggen, terwijl ze voorheen meestal boven elkaar lagen. Dit illustreert treffend hoe de positie van de vrouw aan het hof veranderde.

Appartamenti

Het naast elkaar plaatsen van appartementen, niet alleen voor verschillende bewoners maar ook voor verschillende soorten ontvangsten, markeert een ruimtelijke transformatie in de architectuur van woningen. Maar deze transformatie is niet uit het niets ontstaan, constateert Gorny in zijn proefschrift A Flat Theory: Toward a Genealogy of Apartments, 1540–1752. Er ging een conceptuele transformatie aan vooraf. Al in het jaar 1540 introduceerde architect Sebastiano Serlio het begrip appartamenti, niet specifiek voor kamers die als woning dienden, maar in het algemeen voor ruimtelijke eenheden met woonfunctie. Het was een geometrisch principe, dat allengs een nieuwe, creatieve kracht in de architectuurplanning zou ontketenen.

Grotendeels geïnspireerd door twee woningen die Serlio in Frankrijk had gebouwd, kopieerde ambtsadel (Frans: noblesse de robe) in Parijs later de bouwwijze van de hofarchitectuur in hun hôtels. In de 17e eeuw bestonden deze uit een staatsieappartement (“grand appartement”), dat alleen werd gebruikt voor recepties, huwelijken of speciale soirees, en compactere privéappartementen (“appartements de commodités”). De technische ontwikkeling en planningstechniek van de appartementenbouw stonden ondertussen ook niet stil. Langzaam maar zeker ontstonden voorschriften waaraan een appartement moest voldoen, inclusief beschrijvingen van de functies van verschillende ruimtes. Eind zeventiende eeuw had dit “Bouwbesluit avant la lettre” overigens vooral aandacht voor “gebruik en karakter” van de ruimtes.

Convenance

Het promotieonderzoek eindigt bij de bijdrage van theoreticus Jacques-François Blondel in zijn L’architecture francoise uit 1751, een verhandeling over bouwplanning. Deze geeft een volledige technische beschrijving van hoe verschillende typen appartementen moeten worden gepland om convenance (“passendheid”) te bereiken, wat het hoofddoel van de architect was.

Ieder aristocratische woonruimte bevatte een compleet systeem van appartementen, dat bestond uit drie suites: een staatsieappartement, een appartement de société en een privésuite. Via de negentiende-eeuwse appartementen van de bourgeoisie, waar dit systeem veranderde in een indeling met semipublieke ruimte, slaapkamers en serviceruimtes, “is die driedeling nog steeds te zien in de indeling van tegenwoordige appartementen”, zegt Gorny. “Het lijkt modern, maar is feitelijk stokoud.”

Na zijn promotie gaat hij in een vervolg op A Flat Theory in kaart brengen hoe het appartement zich later ontwikkelde tot de flatgebouwen van de twintigste eeuw. Het zestiende-eeuwse concept zou in die vorm de hele wereld veroveren.

Robert A. Gorny

/* */