Nieuwe steden zijn vaak modernistisch ontworpen, maar onvoldoende toegesneden op de dynamische behoeften van de inwoners. De overheid kan bewoners beter een handje helpen om de boel zelf te organiseren, ontdekte promovendus Simone Rots in Venezuela.

Venezuela kon zich in de naoorlogse periode dankzij zijn olie-inkomsten meer veroorloven dan andere Latijns-Amerikaanse landen. Zo bouwde het verschillende hagelnieuwe steden voor zijn snelgroeiende bevolking en huurde daarvoor kennis in van westerse modernistische architecten. Klinkt als een recept voor orde en regelmaat, maar toch vertonen steden onderling grote verschillen, ontdekte Simone Rots toen ze twee ervan met elkaar onderzocht.
De stad 23 de Enero, nabij de hoofdstad Caracas, stamt uit de jaren vijftig en had een soort Venezolaanse pendant van de Bijlmer moeten zijn. Maar voordat de stad af was, brak er in 1958 een revolutie uit en werden de 38 enorme flatcomplexen (“superblokken”) die de ruggengraat vormen gekraakt. In plaats van de 60.000 mensen waarvoor ze zijn gebouwd wonen er nu een paar honderdduizend mensen in en om de kolossale hoogbouwcomplexen. “Dat is interessant, want hier zie je hoe de Moderne Beweging de organische verstedelijking ontmoet”, vertelt Rots.
Ciudad Guayana werd in de jaren zestig gepland en gebouwd met academici van MIT en Harvard als nieuwe industriële hoofdstad. Rond een modernistische new town uit het begin van de jaren vijftig en een bestaand vissersdorp, zonder massieve hoogbouwcomplexen. Na 23 de Enero wilde de overheid daar niet meer aan. Ciudad Guayana werd een proeftuin voor stedenbouwkundige ideeën, met verschillende innovatieve demonstratieprojecten.

Zelforganisatie

Bij beide steden is de informele verstedelijking geïntegreerd.  In 23 de Enero gebeurde het spontaan, doordat burgers de bebouwing letterlijk overnamen. Dat leverde goede, maar ook gevaarlijke, ontspoorde wijken op.
In Ciudad Guayana ging het gestuurd, door een zogeheten ‘aided self-help’ programma – zelforganisatie met steun van de overheid. De overheid wees niet alleen kavels toe, maar ondersteunde de toekomstige bewoners ook financieel en technisch. Minder kapitaalkrachtige mensen kregen zo ook kansen. Ze kregen bijvoorbeeld hulp bij het opbouwen van publieke voorzieningen, zoals riolering, water en elektriciteit. Inwoners slaagden er door samenwerking in de huisvestingskosten laag te houden. Sommigen begonnen kleine ondernemingen op hun kavel,  wat de sociale en economische structuur van de wijk verbeterde. Het droeg ook bij aan een gevarieerde bevolkingsopbouw. “Het duurt allemaal langer en vergt van de overheid tijd en geld, maar er ontstaat echt een stad”, constateert Rots. “Je ziet nauwelijks verschil met natuurlijk gegroeide steden.”
Welke lessen levert dit op voor andere nieuwe steden van deze wereld? In ieder geval dat we bij het plannen van nieuwe steden beter moeten nadenken over de leefomstandigheden van toekomstige bewoners – óók van laagbetaalde bewoners, constateert Rots. Dus: zorg voor betaalbare huisvesting en geef als overheid een steuntje in de rug om mensen zelf – of gezamenlijk – te laten bouwen aan hun huizen en aan een hechte gemeenschap. Dat werkt beter dan planmatige, strikt modernistische steden.
Is zelforganisatie beter dan modernisme? “Nee, die zijn niet tegengesteld”,  zegt Rots. “Maar ‘aided self-help’ laat zien dat een zorgende overheid kan bijdragen aan een stedenbouw met een inclusieve, menselijke schaal. Gewoon, door oog te hebben voor wat mensen zelf kunnen.”