'Ik ben een kind van de TU'

Haar werken staan overal ter wereld en ook in Delft is ze beeldbepalend. Architect Francine Houben ontwierp er het Mekelpark, de TU Library en het station. Dit jaar is ze benoemd tot Alumnus van het Jaar. “De enorme energie die hier loskomt om dingen aan te pakken, is geweldig."

Eerste stop voor een rondleiding voor relaties en opdrachtgevers: de Oude Delft, bij het kantoor van Mecanoo Architecten. Daarna zet de stoet koers richting het Delftse stationsgebouw, het Mekelpark en natuurlijk de iconische centrale bibliotheek van de TU. De werken van Houben staan overal ter wereld: een immens cultuurcentrum in Taiwan, woontorens in Zuid-Korea en gerenoveerde bibliotheken in New York en Washington. Maar om haar visie te illustreren neemt Houben opdrachtgevers het liefst mee door Delft, de omgeving die haar heeft gevormd. De laatste tijd gaat dat noodgedwongen virtueel. Zo ook 15 mei, tijdens dit interview.

U bent succesvol en hebt een enorme stempel op de TU gedrukt. Vroeg of laat moest u wel Alumnus van het Jaar worden. Zag u deze benoeming aankomen?
“Ik wist niet van het bestaan van deze prijs af. Maar ik vind het heel leuk.”

Mensen gezond houden in steden is nu de grootste opgave

Uw werken aan de campus staan voor u symbool voor ‘samenwerken’. Kunt u dat toelichten?
“Toen ik hier studeerde, van 1974 tot 1984, was elke faculteit een eilandje. Voor het ontwerp van de bibliotheek (in 1992) heb ik met onderzoekers van alle disciplines gesproken, van civiel ingenieurs tot wiskundigen en Wubbo Ockels. Ik heb me van alle kanten laten inspireren. We wilden een nieuwe toekomst creëren. Mensen moesten bij elkaar komen. De bibliotheek en het Mekelpark, met de groene, zachte heuveltjes waar je elkaar kunt ontmoeten en kunt zitten op een bank van een kilometer lang, nodigen daartoe uit. De universiteit straalt uit dat het een plek is waar mensen echt dingen kunnen maken. De enorme energie die hier loskomt om dingen aan te pakken, is geweldig. Ik ben daar trots op. Het is jammer dat de faculteit Bouwkunde niet meer in die flow of people van de campus zit, sinds de Bouwkundebrand van 2008.”

Het is een rare dag. U had vandaag een bibliotheek in New York moeten openen.
“De hele maand had ik in de New York moeten zijn voor de opening. Maar de stad zit op slot vanwege corona. Vandaag zou ik door de New York Times worden geïnterviewd. In september opent, als het goed is tenminste, nog een bibliotheek van ons in Washington en later dit jaar ook een in Tainan (Taiwan). Het is een bijzonder jaar. In de VS word ik al de library whisperer genoemd.”

Zijn die gebouwen coronaproof?
“Als ik nu met nieuwe corona-ogen naar onze ontwerpen kijk, dan denk ik, ja, dat hebben we goed gedaan. Onze gebouwen zijn geschikt voor de anderhalvemetermaatschappij. De bibliotheek in New York heeft brede trappen. Je bent er niet afhankelijk van de lift. Het gebouw nodigt uit om te lopen. En er staan grote tafels in waardoor je met voldoende afstand van elkaar kunt studeren. Hygiëne is ook belangrijk. De bibliotheek is makkelijk schoon te maken. Voor mij is dat al jaren een thema.”

Als jonge twintiger legde u de kiem voor uw succes. Met studiegenoten richtte u in 1980 architectenbureau Mecanoo op. Hoe was die tijd?
“Toen ik bouwkunde studeerde, werden we niet erg serieus genomen. We werden door de rest van de universiteit gezien als het fröbelklasje van TU. Het was de tijd van democratisering en stadsvernieuwing. Dat speelde ook bij de TU. Veel architecten gingen de politiek in. Ik wilde ook meegaan in die stroom van democratisering en verandering. Maar dan door dienstverlenend te ontwerpen. We begonnen met onze start-up Mecanoo Architecten, al lang voordat het woord start-up bestond. Het was een inspirerende tijd. Er heerste een grote economische crisis. Wij hadden dat nauwelijks in de gaten, bevlogen als we waren. We werkten non-stop. Dat is altijd zo doorgegaan. Wij richtten ons op stadsvernieuwing, de woningbouw en openbare ruimte, in Rotterdam, Amsterdam en Den Haag. In 1983 wonnen we met de jongerenhuisvesting aan het Kruisplein in Rotterdam onze eerste grote prijs. Dat je sociale woningbouw ook als architectonische opgave kon zien, zoals wij deden, was een eyeopener voor Nederland en de rest van de wereld.”

Wat was er vernieuwend aan?
“We kwamen uit een tijd waarin woningbouw simpelweg als product werd beschouwd. Het hoefde niet bijzonder mooi te zijn, er moest gewoon gebouwd worden. Wij stelden dat ter discussie. Ik was een kind van de TU. Ik beschouwde woningbouw als een architectonische opgave: het moest mooi zijn en goed in elkaar zitten, met aandacht voor goede voorzieningen. Het was een omslagpunt in het denken. Nederland heeft sindsdien heel goede woningbouwarchitecten voortgebracht en is voorloper en inspiratiebron geworden op dit gebied.”

Mensen hebben schoonheid nodig, zei u onlangs in een interview. En schoonheid mag best wat kosten. Bent u bang dat er door de coronacrisis minder geld naar architectuur gaat?
“In Nederland mag architectuur nooit veel kos-ten. Het is nooit over de top. Maar ik denk niet dat de aandacht voor architectuur vermindert door de crisis. Goede architectuur en stadplan-ning zijn nu belangrijker dan ooit. Er is behoefte aan architectuur en stedenbouw die beweging stimuleren. Je moet kunnen lopen en fietsen in steden. Er moet een link zijn tussen gebouwde omgeving, natuur en biodiversiteit. Mensen gezond houden in steden is de grootste opgave. Tegelijk zie je het gemeenschapsgevoel belangrijker worden. Mensen praten meer met hun buren. Ik ben blij dat jonge architecten en studenten weer veel meer aandacht hebben voor de eindgebruikers. Ze stellen de mens centraal, net als wij deden in de jaren zeventig en tachtig.”

Stationsgebieden, campussen, theaters, woongebouwen. U heeft alles al gemaakt, lijkt het. Wat staat er nog op uw wensenlijst?
“Ik heb mijn jaarringen. Elke paar jaar doe ik wat anders. De laatste jaren heb ik me veel met theaters, musea en bibliotheken bezig gehouden. Nu vind ik het leuk om op een meer holistische manier naar architectuur en stedenbouw te kijken. Ik heb een visie ontwikkeld voor Rotterdam Zuid, een gebied waarin 200 duizend mensen wonen. In die visie schets ik hoe je wonen, kenniseconomie, maakindustrie, mobiliteit, watermanagement en de energietransitie met elkaar kunt verweven. Als architect breng ik die maatschappelijke opgave tot verbeelding. En als ingenieur – ik kom van de TU Delft – is het een mooie uitdaging om al die opgaven samen te brengen. Toen ik 25 was, had ik dit niet gekund. Op zo’n grote schaal naar de ruimtelijke ordening kijken, dat doet bijna niemand meer. Vroeger wel, toen had je het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, dat zich daar over boog. Maar de kunst van de ruimtelijke ordening is de afgelopen decennia in Nederland om zeep geholpen.”

Hoe ziet de toekomst eruit?
“Drie jaar geleden zei ik nog dat ik me meer wilde gaan richten op Nederland. Door de corona- crisis lijkt het nu vanzelf die kant op te gaan. Maar goed, je weet nooit hoe dingen lopen. Als we goede opdrachtgevers hebben, kunnen wij veel betekenen voor de toekomst. In dit beroep is de wisselwerking tussen architect en de opdrachtgever cruciaal. Een goede opdrachtgever gaat samen met jou het avontuur aan, leidend tot een mooiere en betere wereld.”

Het Universiteitsfonds Delft reikt sinds 2011 de prijs Alumnus van het Jaar uit aan alumni die hun sporen hebben verdiend in de wereld van innovatie en onderzoek. De winnaars krijgen een plaquette op de Alumni Walk of Fame in het Mekelpark. Meer weten? Ga naar alumni.tudelft.nl/alumnusoftheyear

CV

Francine Houben (1955) is oprichter en creatief directeur van Mecanoo architecten. Ze studeerde van 1974 tot 1984 aan de TU Delft. Met Mecanoo architecten ontwierp ze onder andere de TU Library en het Mekelpark. Houben heeft een veelzijdig oeuvre, variërend van theaters, musea en bibliotheken tot woonwijken en parken. In Birmingham staat de door haar ontworpen grootste bibliotheek van Europa. Ze schreef een aantal boeken: ‘Compositie, Contrast, Complexiteit’ (2001, ‘Dutch Mountains’ (2011) en ‘People Place Purpose’ (2015) en was hoogleraar mobiliteitsesthetiek aan de TU Delft. Ook doceerde ze aan Harvard University en Yale. Verder was ze directeur/curator van de Eerste Internati-onale Architectuur Biënnale Rotterdam. Sinds 2010 is Houben lid van de Akademie der Künste in Berlijn. Vanaf de oprichting is Houben lid van de Akademie van Kunsten in Nederland. In 2015 kreeg ze voor haar oeuvre de Prins Bernhard Cultuurfonds Prijs. Ook ontving ze diverse eredoctoraten. Ze staat als enige Nederlander op de Debrett's lijst van meest invloedrijke mensen in Groot-Brittannië, waarin haar onconventionele benadering van architectuur wordt geroemd.