Pavel Bauer

Sectieleider DC Systems, Energy Conversion and Storage group

Onderzoek doen, zeker als je promoveert, wordt vaak vergeleken met topsport. Denk aan het lopen van een marathon, dat is meer dan 40 kilometer lopen, maar veel renners worden bij 10 kilometer al zo kortademig dat ze denken aan stoppen. Met veel onderzoekers is dat net zo: na een jaar krijgen ze zorgen. Ik vind het heel belangrijk om dat op tijd te signaleren. Sterker nog: vaak geef ik bij het begin van het proces al aan dat het heel normaal is als die onzekerheid een keer toeslaat. Ik druk de onderzoekers op het hart dat bij mij de deur altijd open staat. Het is doodnormaal dat je het af en toe moeilijk hebt met je onderzoek. En als iedereen daar een keer tegenaan loopt, betekent dat ook dat iedereen elkaar kan helpen.

Ik merk soms wel dat er een grijs gebied is tussen sociale integriteit en academische integriteit. Om een voorbeeld te noemen: een promovendus die naar me toe komt om te vertellen dat hij of zij bepaalde kritiek erg lastig vindt. Alhoewel ik natuurlijk heel goed begrijp dat kritiek niet altijd makkelijk is, kan ik ook niet zomaar zeggen dat hij of zij die kritiek kan wegwuiven. Als persoon wil ik graag helpen, maar als hoogleraar moet ik een hoge mate van academische kwaliteit waarborgen. En het is nu eenmaal zo dat we uitstekende resultaten willen boeken, en daar is een kritische houding voor nodig. Er zijn altijd twee kanten zijn aan iemands verhaal, en dus ook aan mijn rol als sectieleider. Ik hoop dat mensen dat kunnen begrijpen.

Integriteit is elkaar zorgvuldig behandelen.

Integriteit gaat erom dat je elkaar eerlijk maar ook zorgvuldig behandelt. Want alleen met die instelling kun je onderling vertrouwen kweken, zodat je eerlijk kan zijn over je struikelblokken. Gelukkig zie ik dat die transparantie de laatste jaren veel is toegenomen, maar dat betekent niet dat we het hier nu bij kunnen laten. Dat onderlinge vertrouwen vergt onderhoud. We werken allemaal anders, dat begrijp ik, maar eigenlijk zou bij iedereen de deur altijd open moeten staan.

Wat dat betreft is er veel veranderd sinds ik aankwam in Delft, inmiddels meer dan dertig jaar geleden. We zijn als TU Delft-gemeenschap niet alleen veel opener geworden, ik merk ook dat er steeds meer kennis, begrip en interesse is voor andere culturen. Ikzelf bijvoorbeeld heb inmiddels inmiddels 32 nationaliteiten in mijn groep. Iedere cultuur heeft zijn eigen gebruiken, en daar moet ik rekening mee houden als begeleider: iedereen is toch trots op zijn of haar cultuur. Je moet elkaars verschillende achtergronden kennen en begrijpen. Daarom organiseer ik jaarlijks een diner, met niet alleen promovendi maar met de hele groep, met als thema een bepaald land en zijn cultuur. Zo zijn India, Italië en Mexico al aan de beurt geweest. Door open te staan voor elkaars achtergrond kunnen we van elkaar leren en kunnen we bruggen slaan.