‘Je moet eerst begrijpen waarom mensen gelijk zijn, voor je snapt waarom ze anders zijn’

Paul Hekkert deed jarenlang onderzoek naar de achterliggende principes van esthetiek en beleving. Afgelopen twee jaar hield hij zich als ‘wetenschappelijk boegbeeld’ vooral bezig met de totstandkoming van de kennis en innovatie-agenda voor de topsector Creatieve Industrie.

Paul Hekkert kreeg tijdens zijn studie bewegingswetenschappen aan de Vrije Universiteit Amsterdam interesse in dans en esthetiek. Met een tijdelijke cofinanciering van het ministerie van OCW slaagde hij er in om een promotieonderzoek op te zetten naar de manier waarop in de jaren negentig kunst- en cultuur subsidies werden verstrekt: een commissie van ‘wijze heren’ die in beslotenheid vaststelden wie er wel en geen subsidie moest krijgen. Is dat wel een legitieme manier om overheidsgeld te verdelen?

‘In die tijd wilde men alleen de kwalitatief goede kunstenaars financieren. De minder goede kunstenaars wilden men afremmen en zorgen dat ze iets anders gingen doen’, zegt Hekkert ‘Maar om dat te legitimeren moest de overheid wel zeker weten dat ze kwaliteit op een betrouwbare manier kon beoordelen. Objectieve criteria bestaan niet, dus dan kom je snel uit bij ‘peer review’, een commissie van deskundigen dus. Ik heb onderzocht hoe je dat het beste kan organiseren, en hoe mensen tot oordelen over schoonheid komen. Maar de kunstwereld wilde daar niets van weten. Die had helemaal geen belang bij wetenschappelijke objectiveerbaarheid. Dat ondermijnde hun positie alleen maar.’

Bij IO vond Hekkert wel weerklank en kreeg hij de kans om zijn proefschrift over de indicatoren van schoonheid af te maken. Hij maakte de overstap van beeldende kunst naar design. ‘In de design wereld vond iedereen dit juist razend interessant. Een ontwerper moet immers aan zijn klanten en opdrachtgevers kunnen uitleggen waarom iets visueel aantrekkelijk is. Die wil daar dan ook bepaalde principes bij kunnen gebruiken, een soort ‘taal’. Die taal wil ik ontwerpers geven. Op zoek daarnaar ben ik behoorlijk diep in de menselijke en psyche gedoken.’

Veel ontwerpers zijn geobsedeerd door de vele verschillen tussen mensen, bijvoorbeeld in wat zij mooi vinden, zegt Hekkert. ‘Die verschillen zijn er, maar onder die verschillen zitten ook overeenkomsten. Je moet eerst begrijpen waarin mensen hetzelfde zijn, voordat je kan begrijpen waarom en wanneer verschillen ontstaan. Het gaat er mij niet om wat persoon A mooi vindt en wat persoon B mooi vindt, maar waarom wij überhaupt iets mooi vinden. Waarom schrijven wij bijvoorbeeld karaktereigenschappen aan producten toe? Welke principes liggen daaraan ten grondslag? Daarvoor moet je terug naar de wortels van ons menselijk bestaan, de evolutie dus.’

‘In de basis vinden mensen dingen mooi, aantrekkelijk of smakelijk die ons helpen met overleven,’ legt Hekkert uit. ‘Twee zaken zijn bijzonder fundamenteel voor het overleven. Ten eerste veiligheid ofwel geborgenheid. Een grot biedt veiligheid, maar wie de hele dag veilig in een grot blijft zitten gaat er nooit op uit om eten te verzamelen en nieuwe dingen te leren. Om te overleven hebben mensen hebben dus ook exploratie of uitdaging nodig. Dat is een dilemma. Deze twee principes – veiligheid en uitdaging – zijn namelijk elkaars tegenstellingen. Schoonheid ontstaat daar waar we erin slagen deze twee schijnbaar onverenigbare dimensies tóch bij elkaar te brengen. De beelden van de zeventiende-eeuwse Italiaanse kunstenaar Bernini gebruik ik vaak als voorbeeld. Dat zijn veelal beelden die een en al zachtheid, geborgenheid en warmte uitstralen, maar tegelijk gemaakt zijn van keihard, koud en wit marmer. Twee tegengestelde dimensies verzoend, precies daar zit de schoonheid.’

Ontwerpers kunnen op verschillende niveaus met een product spelen om die twee principes te verenigen. Binnen de faculteit IO heeft Hekkert daar lang onderzoek naar gedaan, onder anderen samen met Dirk Snelders. ‘Wij hebben destijds laten zien dat mensen altijd dat product het meest aantrekkelijk vinden dat tegelijk maximaal vertrouwd is én maximaal origineel is. Wat mensen vertrouwd vinden en wat nieuw is zal echter per cultuur, tijd en plaats verschillen. Dat hangt bijvoorbeeld af van wat je eerder hebt gezien. Afrikanen of Aziaten vinden daardoor andere dingen mooi dan wij in het Westen. Maar dat doet niets af aan de universele geldigheid van het principe.’

‘Als ontwerpers betekenisvol willen praten over de keuzes die ze maken is het belangrijk dat ze dit soort universele principes kennen en dat ze een taal hebben om daarover te kunnen praten. Dat ze voorbij gaan aan de oppervlakkige verschillen tussen mensen. Maar design research begint steeds meer toegepast design te worden, en dat vind ik zorgelijk. Onderzoekers zijn steeds meer zelf praktisch aan het ontwerpen. Dat komt onder andere door het populaire “research through design”. Daardoor verliezen we de kennisbasis op een dieper niveau steeds verder uit het oog. De vraag naar welke kennis ontwerpers van de toekomst nodig hebben, heb ik daarom proberen te vertalen in mijn werk als wetenschappelijk boegbeeld van de topsector Creatieve Industrie. De zojuist afgeronde kennis en innovatieagenda 2018-2021, een advies over hoe wij denken dat de beschikbare overheidsmiddelen besteed zouden moeten worden, kan je zien als een poging om de kennisbasis terug op de agenda te brengen.’