‘Urban Ecology kan op veel meer punten dan biodiversiteit een positieve invloed hebben, bijvoorbeeld op het gebied van klimaatadaptatie, gezondheid, water- en energieverbruik en circulariteit’, zegt Nico Tillie, die samen met 26 Delftse studenten keek naar hoe de krachten van de natuur meer ruimte kunnen krijgen op de TU campus. Het coronavirus hielp alleen niet mee.   

Opmars

‘Ik ben zo’n beetje opgegroeid bij een bezoekerstuin in Maastricht. Dus ‘Urban Ecology’ zat er al heel vroeg in bij mij. Daarna ben ik via Wageningen (tuin- en landschapsarchitectuur) en onder meer de beroemde Kew Gardens (Londen) aan de TU Delft beland’, zegt onderzoeker dr. Nico Tillie van de faculteit Bouwkunde. 
‘Urban Ecology houdt zich bezig met de interactie van organismen onderling (dus ook mensen) en met de niet-levende stedelijke omgeving, zoals gebouwen, water, de ondergrond en dergelijke. De interesse daarin kwam voor het eerst na de oorlog op, toen tussen de puinresten allerlei nieuwe kansen voor leven ontstonden. Maar het vakgebied heeft een echte opmars gekend in de jaren zeventig en tachtig, onder andere in de Verenigde Staten en Duitsland. Dit mede onder invloed van de Groene Beweging.’

Stadsecoloog

‘Nederland loopt helaas een beetje achter op bijvoorbeeld Duitsland of Engeland. Tegenwoordig heeft iedere stad in ons land wel een stadsecoloog maar aan de andere kant is er in Nederland nog geen opleiding Urban Ecology; in andere landen is dat al lang wél mogelijk. Dat is toch een beetje vreemd omdat we zowat het meest verstedelijkte land ter wereld zijn.’
‘Het is dan ook geweldig dat de Vogelbescherming Nederland een Research Fellowship heeft mogelijk gemaakt, om vanuit de afdeling Urbanism, sectie Landschapsarchitectuur van de faculteit Bouwkunde het vakgebied Urban Ecology een duwtje in de goede richting te geven. Onlangs hebben Nederlandse universiteiten en instituten, inclusief TU Delft ook al de krachten gebundeld in een network voor urban ecology & evolution.’ 

Biologen

Van oudsher is Urban Ecology gedomineerd door biologen, vertelt Tillie. Logisch ook wel omdat het vakgebied is ontstaan uit de Groene Beweging. ‘Sinds een jaar of tien wordt het echter wel steeds duidelijker dat het onderzoeksterrein enorm profiteert van visies uit andere domeinen, zoals de landschapsarchitectuur of de stedenbouw. Mensen uit die richtingen zijn meer ontwerpers dan biologen. Ze kunnen de ideeën uit de Urban Ecology daarom een meer praktische invulling geven.’
‘Voorheen lag het zwaartepunt, mede door de grote inbreng van de biologen, erg op de biodiversiteit (wat nog steeds een cruciaal onderdeel is). Maar Urban Ecology kan op veel meer punten dan biodiversiteit een positieve invloed hebben, bijvoorbeeld op het gebied van klimaatadaptatie, gezondheid, water- en energieverbruik en circulariteit. Zeker op een campus als die van ons zou Urban Ecology een logische plek moeten innemen.’

Onze steden hoeven geen biotopen voor de mens alleen te zijn, maar ze kunnen ook als leefomgeving dienen voor allerlei verschillende organismen die naast elkaar bestaan.

Anne Leltz, studente Stedenbouw

Campus Project

Een van de belangrijke projecten die Tillie en het team van docenten uitvoeren, is het ECOCampus Project, waarbij studenten ideeën en een visie ontwikkelen voor de campus van de TU Delft (zie ook de drie kaders over de studenten). ‘We zijn dit project in het laatste kwartaal van dit collegejaar van start gegaan met 26 masterstudenten, die in het eerste jaar zitten: 16 landschapsarchitecten, 8 stedenbouwkundigen en 2 architecten. Helaas hebben we dit jaar door de coronacrisis moeten improviseren, waarbij de praktische invulling er een beetje bij is in geschoten. De studenten hebben wel een film gemaakt met daarin hun visie op de ECOCampus. In de laatste week van het project konden ze in samenwerking met TU Delft groenbeheerder René Hoonhout en zijn team alsnog een deel van hun ideeën realiseren.’

Anne Leltz, studente Stedenbouw
‘Onze gebouwde omgeving groeit, en vaak wordt bij het ontwerp voor de zich ontwikkelende gebieden geen rekening gehouden met de natuur. In Nederland – waar ik woon – neemt de biodiversiteit af en hebben we te kampen met natuurproblemen zoals droogte en extreme regenval. Door met en voor de natuur te ontwerpen zal het evenwicht van onze natuurlijke systemen beter worden hersteld en wordt onze gebouwde omgeving beter beschermd tegen de klimaatomstandigheden van de toekomst. 

Daarnaast hoeven onze steden geen biotopen voor de mens alleen te zijn, maar kunnen ze ook als leefomgeving dienen voor allerlei verschillende organismen die naast elkaar bestaan.’
‘Wat ik zo aantrekkelijk vind aan deze opleiding is dat we echt ervaren hoe het is om ons ontwerp in de praktijk te brengen: we hebben workshops waarbij we met planten werken en kunnen ons ontwerp op de campus realiseren.’

‘Ik hoop dat de campus over dertig jaar een veerkrachtige campus is, waar natuurlijke systemen worden gebruikt om de klimaatomstandigheden te accommoderen. Door gebruik te maken van de sterke punten van de uiteenlopende omstandigheden op de campus – waarvoor mensen niet altijd oog hebben – ontstaan er kansen voor organismen met een voorkeur voor die omstandigheden. Zo vertalen we zwakke punten van onze campus in sterke punten. Zo kan bijvoorbeeld de felle wind bij het EWI-gebouw worden verminderd door een beschutting aan te leggen van planten die zich sterk aan wind hebben aangepast, zoals de haagdoorn, die ook in de duinen voorkomt. Op die manier worden er leefomgevingen gecreëerd voor meer soorten en verbetert tegelijk de omgeving voor mensen, dankzij meer groen en minder wind. Door dat soort ingrepen wordt de relatie tussen mens en natuur op de campus verbeterd en hersteld.’

Een belangrijk inzicht dat Tillie wil meegeven in het project, is dat de natuurlijke systemen begrijpen en/of herstellen, de beginstap is in ieder ontwerp. En dat dit vaak niet het geval is. ‘Daarbij gaan we soms speels te werk. We hebben ze bijvoorbeeld gevraagd om de campus eens te bekijken vanuit de ogen van een organisme, bijvoorbeeld een bij of een vogel. De studenten mogen dus best een beetje dromen. Maar we vinden het wel belangrijk dat die dromen uiteindelijk ook landen. Daarom werken we ook samen met de afdeling Campus and Real Estate van de TU (zie kader).’

TU Delft Campus and Real Estate
‘Midden op de campus was ooit een groot parkeerterrein. Daar is nu het Mekelpark te vinden met wellicht weinig ecologische waarde, maar wel recreatiewaarde’, zegt Maria Hänsch, programmamanager duurzaamheid van Campus and Real Estate van de TU Delft. ‘De ‘living campus’ heeft hierdoor een enorme boost ervaren. Als volgende stap zou het mooi zijn om hier en op andere plekken meer ecologische waarde te creëren. Persoonlijk zie ik het Letting G(r)o(w)-concept vanuit haalbaarheid niet als wild bos, maar als verrijking van de bestaande structuren richting een duurzame stedelijke omgeving.’

‘Het huidige kader voor hoe de campus eruit komt te zien is het Ruimtelijk Ontwikkelperspectief. Daarin zijn bouwstenen aangegeven hoe met het campusgebied om te gaan. Het studentenwerk laat ons hun visie zien op natuur in de stad. Als universiteit zijn we in de speciale gelegenheid dat we ons door onze studenten kunnen laten inspireren en dat doen we graag. Het helpt om het systeem vanuit verschillende perspectieven te bekijken en te begrijpen. Om de praktische haalbaarheid te vergroten zal een vervolgslag op de studentenwerken gemaakt worden om ook de link met andere domeinen te leggen.’

The Art of Letting it G(r)o(w)

Vanuit zes oorspronkelijke groepen in het project, is vervolgens één visie voor de campus gekozen en uitgewerkt. De visie die is ontwikkeld voor de campus heet “Letting G(r)o(w).” Zoals de naam al suggereert, is het idee om de krachten van de natuur de campus (althans sommige delen daarvan) over te laten nemen en deze om te vormen in een niche voor verschillende levende soorten. De basisfuncties van de campus worden in ere gehouden, maar de strategie is om excessieve bestrating en afval te verminderen en spontane groei van vegetatie mogelijk te maken. Bebouwde gebieden zullen meer ‘bio-receptief’ worden om de mogelijkheden van soorten te vergroten. Op sommige plekken zal bestrating worden verwijderd en worden hergebruikt om ecostructuren te maken. Het project is kosteneffectief en kan meteen van start gaan, omdat er weinig nieuw materiaal en gespecialiseerde menskracht nodig is. Drie sites zijn gekozen voor dit project: het bestrate gedeelte van de faculteit Bouwkunde bij de Bouwpub; het open gebied voor de Jaffa begraafplaats en het Mien Ruys park, nabij de Green Village. 

Gary Gilson, student Landschapsarchitectuur
‘Als architect en student Landschapsarchitectuur is het niet alleen mijn taak om te leren hoe je met een ontwerp de omstandigheden voor mensen verbetert, maar ook voor andere levende wezens’, aldus Gary Gilson. ‘In deze snel verstedelijkende wereld, die door de mens wordt gedomineerd en waarin het klimaat, de demografie en stedelijke structuren steeds meer veranderen, is het nodig om die soorten en hun leefomgevingen te respecteren, te beschermen en te steunen. 

De ecologische keten en de nutriëntencyclus zijn sterk afhankelijk van hun aanwezigheid en activiteiten. Stadsecologie bevordert veerkrachtige, duurzame stedelijke ruimtes op plaatsen waar mens en natuur samen bestaan. Als deze op de juiste manier worden geïntegreerd kan dat de water- en luchtvervuiling verminderen en tegelijk nieuwe vormen van voedselproductie, transport en woonruimte voor mensen mogelijk maken.’

‘Deze studio bestaat uit een combinatie van studenten Landschapsarchitectuur, Stedenbouw en Architectuur en vormt daarmee een platform voor kruisbestuiving tussen ideeën en benaderingen én een gezonde omgeving om mensen voor te bereiden op de beroepspraktijk, waar samenwerking essentieel is voor succes. In onze visie verandert de identiteit van de campus, van een tot in detail doorgerekend en vooraf bepaald ontwerp naar een scenario waarin de kwaliteit van de ruimte wordt bepaald door de tijd en natuurkrachten. De gedeeltes waar de bestrating is verwijderd zullen worden ingenomen door diverse soorten planten in verschillende fases van hun levenscyclus. Sommige zullen al op hun hoogtepunt zijn, terwijl andere nog heel jong zijn. Deze ecostructuren zullen “natuurkathedralen” vormen, waar studenten en medewerkers bijeenkomen, in combinatie met niches voor andere soorten. De campus ontwikkelt zich daarmee tot een ecologische springplank voor de regio.’

‘Letting grow’ betekent overigens niet dat alles zo maar een soort primitief bos zou moeten worden, maar dit zou op sommige plekken wel ideaal zijn. Het komt er op neer om met de levende natuur samen te werken, en ‘to go with the flow’ in plaats van dit tegen te werken. Het is belangrijk om bottom-up proberen te werken, waar men in de tijd ontwerpt en gebruik maakt van wat er al is. Spontane vegetatie is vaak ecologisch het meest waardevol, omdat die vooral bestaat uit lokale soorten, die goed passen bij de lokale dieren en insecten.

Yann Ninot, student Architectuur
‘Voor mij draait het bij stadsecologie om de relatie tussen binnen en buiten. Bij een ideale stadsecologie blijven alle materiële en immateriële stromen zoveel mogelijk binnen en worden alle externe negatieve effecten geminimaliseerd. Hoewel de impact van stedelijke gebieden qua gebruik van oppervlakte op de aarde vrij verwaarloosbaar is, zijn zij wel de voornaamste oorzaak van de huidige klimaatcrisis: om ze in hun huidige vorm in stand te houden, zou meer dan één aarde nodig zijn. 

Stadsecologie is dan ook bijzonder belangrijk, omdat we daarbij specifiek onderzoeken hoe we onze afhankelijkheid van dergelijke systemen kunnen verminderen (op basis van concepten als circulariteit, stadslandbouw, urban mining en dergelijke). In essentie gaat het daarbij om architectonische vraagstukken, omdat ze betrekking hebben op zeer veel expertisegebieden, die op een of andere manier tot één samenhangend, holistisch systeem moeten worden gecombineerd. Ik heb dan ook voor deze opleiding gekozen omdat deze me helpt vanuit een ander perspectief naar stadsecologie te kijken en mogelijke verbanden tussen architectuur en landschapsarchitectuur te ontdekken.’

‘Ik voorzie over dertig jaar een campus die permanent floreert en zich voortdurend ontwikkelt en verandert. Een campus waar natuur en cultuur samengaan in een veelvoud aan levende velden vol levende wezens, levende processen en levende gebouwen. De enige “look” die ik wat dat betreft kan verzinnen is dat het gazon en de gebouwen één zijn geworden en niet meer van elkaar kunnen worden onderscheiden. Meer concreet betekent dat minder afzondering tussen de gebouwen. Daartussen zal zich een groot aantal oneindig gevarieerde tussenruimtes bevinden, die op verschillende manieren kunnen worden gebruikt (zowel door mensen als door andere levende wezens), net zolang totdat dit “tussen-zijn” de regel is en daarmee verdwijnt. Dat beeld doet sterk denken aan dat van stedelijke microclusters, waarbij de campus functioneert als een stad. Om dat te bereiken zullen we grenzen moeten verkennen en doorbreken, en verschillen accepteren en opheffen.’

Waardevol

Het campusproject is maar een van de concrete onderwerpen waar Tillie zich mee bezig houdt. ‘Er staat nog veel meer op stapel. Onder meer samenwerkingsprojecten met de Universiteit Leiden en Naturalis. En in september beginnen we met een afstudeerlab Urban Ecology & Ecocities, waarin we intensief samenwerken met de Gemeente Rotterdam met als piek het organiseren en voorzitterschap van de Ecocities World Summit in Rotterdam in juni 2021. ‘Hopelijk wordt het vakgebied door deze ontwikkelingen nog volwassener. Dat is belangrijk want onze steden worden eigenlijk te groot en daardoor wordt natuur in de stad steeds waardevoller; de stad als natuur.’ 

Birds’ and bees’ view of TU Delft campus