In onderzoeksprojecten worden wel vaker tools ontwikkeld, maar het gereedschap dat REPAiR heeft opgeleverd, is er een om trots op te zijn. Dat vinden niet alleen TU Delft-onderzoekers Alexander Wandl en Arjan van Timmeren: “Lokale en regionale overheden in Europa en in de VS willen ermee aan de slag. Liever gisteren dan vandaag.”

REPAiR (REsource Management in Peri-urbane Areas) is een veelbelovend onderzoeksvoorstel uit 2017. Een multidisciplinaire onderzoeksgemeenschap van onder andere informatici, milieuwetenschappers, bestuurskundigen en ruimtelijk ontwerpers gaat in zes Europese grootstedelijke regio’s aan de slag met het verzamelen en interpreteren van informatie over afval- en grondstoffenstromen. In living labs brengen op verschillende schaalniveaus opererende overheden, bedrijven en andere stakeholders actuele lokale en regionale vraagstukken én eigen deskundigheid in. Het project is duidelijk toegespitst op interactie tussen (theoretisch) onderzoek en de dagelijkse ruimtelijk-economische praktijk. Hoofddoel: de ontwikkeling van een instrument dat een nauwkeurige, aan activiteiten gekoppelde analyse van deze stromen mogelijk maakt. Gebruikers worden in staat gesteld ruimtelijke strategieën te ontwikkelen die leiden tot meer duurzame, op circulariteit gebaseerde grondstoffenketens.

Stoffenstromen

Vier jaar later tovert projectcoördinator Alexander Wandl op zijn laptop een geodesign decision support environment (GDSE) tevoorschijn. Tientallen elkaar kruisende lijntjes en balken in primaire kleuren geven weer hoeveel grond- en afvalstoffen zes regio’s in- of uitgaan en welke wegen ze afleggen. Je kunt selecteren op afzonderlijke stoffen en stoffengroepen en inzoomen tot op het adres. “Voor alle zes regio’s hebben we afvalstromen in de voedselproductie- en consumptieketen in kaart gebracht. Verder zijn per metropool lokale informatiebehoeften ingevuld. Voor Amsterdam hebben we bijvoorbeeld de bouw- en sloopafvalstromen in kaart gebracht, terwijl in Napels milieuvervuiling prioriteit had. De tool maakt in één oogopslag duidelijk waar zich oorzaken en gevolgen bevinden.”

De in REPAiR gerealiseerde vervlechting van ruimtelijke planning met technische, economische en bestuurlijke aspecten van een circulaire economie acht Wandl van groot belang. Afvalstortplaatsen en afvalverwerkingsbedrijven bevinden zich doorgaans aan de randen van de stad, waar ook industrie en grote verkeersinfrastructuur ruimte claimen. In deze overgangsgebieden tussen stad en platteland wordt nu veel woningbouw gepland. Een essentiële vraag is daarom: hoe behoud je ruimte voor andersoortige, circulaire activiteiten en in hoeverre kun je ze matchen met bestaande dan wel beoogde functies? Wandl: “Nabijheid van activiteiten is voor een circulaire economie cruciaal. Je wil voorkomen dat er plannen worden bedacht die hiermee geen rekening houden of waarvan iedereen vervolgens zegt: ‘Prachtig, maar niet in mijn achtertuin’.”

Sinaasappelschillen

Tijdens de workshops met lokale partners ontstonden er dankzij het visuele ‘bewijs’ allerlei nieuwe ideeën, vertelt hoofdonderzoeker Arjan van Timmeren, hoogleraar Environmental Technology & Design. “Iemand ziet dat er in zijn gemeente tonnen sinaasappelschillen aan afval rondgaan en bedenkt dat daar ook koffiekopjes of zeep van kunnen worden gemaakt.” ‘Circulair’ betekent overigens niet vanzelfsprekend ‘duurzaam’, zegt hij. “Het kan best zijn dat recycling zoveel extra energie vergt dat de milieudruk hoger wordt in plaats van afneemt. Daarom hebben we aan het REPAiR-instrument een levenscyclusanalyse gekoppeld. Je kunt verifiëren of een mogelijk duurzame verandering in de stoffenketen echt een verbetering voor het milieu behelst.”

Strenge afspraken

Het instrument is zo goed als de data die eraan ten grondslag liggen. Van Timmeren vertelt dat de in REPAiR verkregen toegang tot gegevens die niet openbaar zijn, de doorslag geeft. “In Europa is elke rechtspersoon verplicht om melding te maken van activiteiten die de omgang met afval betreffen. Zo heb je in Nederland het Landelijk Meldpunt Afvalstoffen. Alle gegevens over transport, opslag, behandelwijze enzovoort worden vastgelegd in grote databases.” Deze informatie wordt vooral gebruikt om de omgang met gevaarlijke stoffen in goede banen te leiden, verder gebeurt er niet zo veel mee. In REPAiR zijn strenge afspraken gemaakt over het kunnen benutten van deze soms privacygevoelige data. Door de koppeling aan andere datasets ontstaat een enorm rijke bron van nieuwe, maatschappelijk nuttige kennis. “Als je eenmaal afvaldeelstromen kunt identificeren, kun je gaan bedenken hoe je van een lineair naar een circulair productieproces gaat. De hoge dichtheid en kwaliteit van de data vormen de crux van REPAiR.”

Trappelen

Niet alle onderliggende informatie mag dan openbaar zijn, de tool zelf is opensource software. En de projectpartners zijn aan het bedenken hoe data kunnen worden gebruikt zonder dat de privacy in het geding komt. Geen wonder dat overheden staan te trappelen. Inmiddels zijn afvalstromen in tien Europese stedelijke regio’s in kaart gebracht. Volgens Van Timmeren wil de gemeente Amsterdam met de tool nu alle afvalstromen in beeld gaan brengen, bij wijze van nulmeting voor de overgang naar een circulair Amsterdam. Brussel idem dito. “Met New York en Baltimore lopen gesprekken over mogelijke toepassingen en het Landelijk Meldpunt Afvalstoffen geeft aan deze informatie voor meer gebieden in Nederland boven tafel te willen krijgen.” Intussen heeft REPAiR een opvolger gekregen. Het Europese onderzoeksproject Cinderela, ‘New Circular Economy Business Model for More Sustainable Urban Construction’ is gericht op reductie van afval in de bouwketen. Twee promovendi zijn inmiddels een bedrijfje begonnen. Van Timmeren glimlacht: “We hoeven ons niet te vervelen.”