Industrie in de stad wordt niet langer beschouwd als een anachronisme. Nieuwe, schone maakindustrie en andere milieuvriendelijke bedrijvigheid kunnen steden en regio’s juist helpen overschakelen op een kringloopeconomie. Daar moet dan wel ruimte voor zijn. Het onderzoeksproject Cities of Making leverde een zeer praktisch hulpmiddel voor planning en ontwerp op.

Werd industrie in Europa in de loop van de twintigste eeuw naar de stadsranden of naar landen op het zuidelijk halfrond verplaatst, tegenwoordig zijn er goede redenen om industriële productieprocessen met beperkte effecten voor de omgeving te koesteren en te integreren in stedelijk gebied. Ten eerste: hoe kleiner de afstand tussen productie- en consumptie, des te minder milieubelasting als gevolg van transport. Ten tweede: lokale en regionale industriële activiteiten, mits goed op elkaar aangesloten, kunnen een waardeketen vormen waarin zowel het hergebruik van materialen en het terugwinnen van grondstoffen centraal staan. Zulke ketens begunstigen bovendien de toepassing en verdere ontwikkeling van regionale arbeidskracht en kennis. Bestuurlijke ambities voor een meer op materiële kringlopen gebaseerd stedelijk systeem zijn er ruimschoots, ze vertalen in een ruimtelijke strategie blijkt nog lastig.

Pattern language

In het mede door TU Delft uitgevoerde onderzoeksproject Cities of Making is uitgezocht hoe een nieuwe generatie stedelijke, op circulaire leest geschoeide maakindustrie tot stand kan komen in Brussel, Londen en de regio Rotterdam. Welke grondstoffen en welke technologieën bieden gunstige perspectieven? Onder welke ruimtelijke voorwaarden? Hoe krijg je een en ander organisatorisch en beleidsmatig voor elkaar? De resultaten zijn beschreven in diverse casusrapporten en een boek (Foundries of the Future). Het project mag in 2020 zijn afgerond, onderzoekers Birgit Hausleitner en Victor Muñoz Sanz van de faculteit Bouwkunde zijn regelmatig in de weer met vervolgwerkzaamheden, en niet alleen als onderzoekers. “Wij verzorgen steeds vaker workshops voor lokale of regionale partijen die zich beraden over dit onderwerp.” In ruil voor een workshop beantwoorden de deelnemers nadien vragen over de toepassing van de gepresenteerde informatie en behandelde middelen in hun ontwerptrajecten. “Die feedback uit de praktijk helpt ons een en ander nog beter toepasbaar te maken.”

In zulke workshops wordt gebruik gemaakt van een andere opbrengst van het project: een set kaarten met (ruimtelijke) patronen, bekend als pattern language. Elk patroon vertegenwoordigt de (ruimtelijke) vertaling van een ambitie of beleidsdoel. “Doordat patronen doorverwijzen naar andere patronen in relatie tot mogelijke spanningen en oplossingen, krijgen gebruikers inzicht in samenhangende kwesties.” Hergebruik van afval, bijvoorbeeld, verhoudt zich onvermijdelijk tot logistiek, toegankelijkheid en specifieke beroepen en werk. “Deze pattern language, door ons thematisch verfijnd, presenteert gerelateerde vraagstukken in de gebouwde omgeving op een uniforme wijze. Ze maakt planningsvragen behapbaar.”

Wafelfabriek

Een van de uitkomsten van het onderzoek, zegt Hausleitner, is dat ondernemers andersoortige ruimte zoeken dan ruimtelijk planners bedenken. “Er komen steeds meer hybride bedrijven die het ontwerp, de productie en verkoop van waren op één locatie combineren en door gebruik van schone technologie binnen milieugrenzen blijven.” Men wil niet op een afgelegen industrieterrein zitten, maar tussen de afnemers en andere dienstverleners. “De planningspraktijk lijkt nog niet goed aan te sluiten op de aard en eigenschappen van een nieuwe generatie fabrikanten en maakbedrijven, die zich makkelijker laten mengen met woonruimte en stedelijke voorzieningen dan oudere of zware industrie.” De meerwaarde van zulk gemengd gebruik blijkt uit het voorbeeld van een wafelproducent in Wenen die besloot een tweehonderd jaar oud fabrieksgebouw in een 19e-eeuwse wijk zodanig te transformeren en het productieproces zodanig te moderniseren dat activiteiten op twee locaties, waarvan één buiten de stad, er konden worden samengebracht. “De pluspunten: industrieel erfgoed is behouden, het woon-werkverkeer van vierhonderd werknemers is danig teruggeschroefd, winkels in de stad worden vrij eenvoudig bevoorraad én zeshonderd omliggende woningen worden voorzien van restwarmte.” 

Gemeenschappelijke taal

Wat volgens Hausleitner weleens verkeerd gaat, is dat in afzonderlijke planningstrajecten de sleutelrol van infrastructuur in een grootschaliger circulair systeem wordt veronachtzaamd. “Een weg waarover vrachtwagens afval vervoeren naar een locatie waar het wordt gerecycled of opgewerkt, gaat dan opeens door een nieuwe woonwijk. Of een verouderd havenfront wordt bebouwd met appartementen waardoor de gelegenheid voor relatief schoon transport over water, dat bovendien de verkeersdruk op het wegennet verlicht, voor de industrie verloren gaat.” De kaarten met patronen maken het mogelijk relaties te leggen tussen mogelijke deeloplossingen voor een vraagstuk. “Ze bieden een gemeenschappelijke taal voor ambtenaren, ondernemers, ontwikkelaars en andere betrokken partijen, zoals de bewoners van ontwikkellocaties.”

Ruimtelijke ontwikkeling is in toenemende mate een democratisch, participatief proces. De kaarten, weet Hausleitner inmiddels van praktijkvoorbeelden, zijn een prima middel om open dialogen met burgers en ondernemers te voeren. Zeker in combinatie met ontwerpschetsen die veel informatie visualiseren. “Dat moet dan wel in een vroeg stadium gebeuren”, waarschuwt ze. “Wanneer tijdig collectief inzicht ontstaat in de haalbaarheid van verschillende belangen of wensen, kunnen misverstanden tussen verschillende belanghebbenden en mismatches tussen gemengde functies worden voorkomen.” De patronentaal is ook al toegepast om te komen tot kwaliteitscriteria voor gebiedsontwikkelingen. “Zulke criteria kunnen vervolgens dienen als briefing voor ontwerpers en ontwikkelaars. Zo wordt er stapsgewijs toegewerkt naar ruimtelijke inbedding van moderne industriële activiteiten.”

In het boek Foundries of the Future zijn onderzoek en opbrengst van Cities of Making beschreven en verbeeld. De publicatie is gratis beschikbaar via books.bk.tudelft.nl. De patronentaal is ook via de website te raadplegen, via deze link. Gemeenten kunnen desgewenst een set kaarten aanvragen bij Birgit Hausleitner.

Cities of Making was a JPI Urban Europe funded research project involving seven organisations: Brussels Enterprises Commerce and Industry, Latitude Platform for Urban Research and Design, Delft University of Technology, The RSA, l’Université libre de Bruxelles, University College London, Vrije Universiteit Brussel.
The core team involved Adrian Vickery Hill (project initiator and project coordinator), Alexandre Orban, Ben Croxford, Birgit Hausleitner, Fabio Vanin, Han Meyer, Laura Rebreanu, Lise Nakhlé, Josie Warden & Víctor Muñoz Sanz.

Meer informatie

/* */