‘Ik wil de werelden van duurzaamheid en geld bijeenbrengen’

Karin Sluis, senior-adviseur en voormalig directeur bij Witteveen+Bos, is verkozen tot alumnus van het jaar 2021 van de TU Delft. Hoe kijkt zij naar talentontwikkeling, de rol van de ingenieur en de grote maatschappelijke uitdagingen? “Diversiteit geeft kracht, je wordt er beter van.”

Gefeliciteerd! U bent verkozen tot alumnus van het jaar. Had u dat zien aankomen?
“Het was een complete verrassing. Ik was met vakantie, hield met een schuin oog mijn mail in de gaten. Toen kwam het bericht van rector magnificus Tim van der Hagen. Ik had wel van de titel gehoord, en van de ‘walk of fame’. Ik vind het ontzettend leuk dat ik daarbij kom. Ik heb een warm hart voor de TU Delft en zeker voor civiele techniek.”

Hoe bent u in Delft beland?
“Als ik dat verhaal vertel, moeten mijn kinderen lachen. Dat zit zo: boven mijn tienerbed hing een poster van de Golden Gate brug in San Francisco. Die had ik voor mijn veertiende verjaardag gekregen van mijn vader, ook een Delfts ingenieur. Als ik naar de poster keek, dacht ik: ‘Dat wil ik ook, bruggen maken’. De Golden Gate is voor mij hét symbool van het werk van civiel ingenieurs: nuttige, duurzame en mooie dingen maken. Nuttig: er rijden dagelijks meer dan honderdduizend voertuigen overheen. Duurzaam: de Golden Gate brug is in 1937 geopend, en gaat dus al heel lang mee. Mooi: elk jaar komen er meer dan tien miljoen toeristen op af. Dat zijn tweemaal zoveel bezoekers als de Efteling jaarlijks ontvangt. Ik wilde ook nuttige, duurzame en mooie dingen maken. Dus ben ik in 1983 in Delft begonnen. Overigens heb ik de brug zelf pas een paar jaar geleden bezocht.”

De teloorgang van de biodiversiteit gaat me aan het hart.

We willen eigenlijk het onderwerp vrouwen en glazen plafond vermijden maar, toch… Toen u in 1983 begon, was u een van de weinige vrouwen?
“Er waren er een paar. Dat zijn er wel meer geworden. Dat zie ik terug bij Witteveen+Bos, waar ik alweer 32 jaar werk. Kortgeleden zag ik een organisatieschema van omstreeks 1990. Er werkten bijna geen vrouwen. Nu is een derde van alle collega’s vrouw. En er komen steeds meer vrouwelijke ingenieurs.”

Hoe begon uw carrière?
“Tijdens mijn studie liep ik stage bij een klein ingenieursbureau in Portugal. Dat vond ik echt leuk. Ik combineerde er denkwerk met een commerciële omgeving. Mijn afstuderen was vrij theoretisch in een laboratorium van Shell in Rijswijk. Toen wist ik: ik zit liever bij een ingenieursbureau. Het was moeilijk in die tijd om een baan te vinden. Ik schreef drie bureaus aan en werd bij alle drie uitgenodigd voor een gesprek. Twee zeiden: ‘We houden u in de kaartenbak en als we werk hebben, hoort u van ons.’ Het derde bureau, Witteveen+Bos, zei: ‘We denken dat je in ons bedrijf past. We bieden je een jaarcontract aan en als we na een jaar geen werk hebben gevonden, stopt dat’. En ik werk er nog steeds!”

Hoe gaat het bedrijf nu om met jong talent?
“Ons bedrijf wordt meer dan toen ik begon, gezien als plek voor talentontwikkeling. We geven veel aandacht aan het laten leren van werknemers. Dat vind ik mooi. Ook hebben we elk jaar circa 300 studenten rondlopen voor stage en afstuderen, ook uit Delft. Via de studenten komt nieuwe kennis en jonge energie ons bedrijf binnen. Dat is inspirerend.”Hoe heeft u uw werk de afgelopen decennia zien veranderen?
“Witteveen+Bos bestaat 75 jaar. In alle fases van het bedrijf zie je de maatschappelijke uitdagingen terug. In 1946 werd Witteveen+Bos opgericht en werkte het vooral aan wederopbouwprojecten na de Tweede Wereldoorlog. In de jaren zestig kwamen de eerste milieuproblemen op en werkten we aan de eerste rioolwaterzuiveringen. De laatste tien jaar gaat het om energietransitie,

klimaatadaptatie, waterbeheersing, gezonde steden en circulair bouwen. Helemaal in lijn met de duurzame ontwikkelingsdoelen van de Verenigde Naties uit 2015. Daar waren we dertig jaar geleden nog niet mee bezig.
In het verlengde daarvan, is ook de manier van samenwerken enorm veranderd. Vroeger deed een ingenieur ‘wat hij dacht dat goed voor je was’. Nu werken ingenieurs veel meer samen met ecologen, planologen, sociologen en eindgebruikers. Als ingenieursbureau zijn we nu echt midden in de samenleving aan het werk, werken we mét de samenleving aan oplossingen. Als we een weg door een stad aanpassen, praten we met de bewoners en ondernemers. Als we een dijk versterken, werken we samen met vissers. Samen optrekken leidt tot betere oplossingen. Diversiteit geeft kracht, je wordt er beter van.”

Wanneer ontdekte u dat?
“Toen in 2013 aantrad als directeur ging ik naar een congres van Europese ingenieursbureaus. Ik kwam terug met drie D’s: duurzaamheid, digitale transitie en diversiteit. De boodschap van de conferentie was dat je als bedrijf een eigen visie moet hebben op die drie D’s om op de lange termijn succesvol te zijn.”

Hoe komt diversiteit binnen uw bedrijf tot uiting?
“Wij geloven dat we betere oplossingen verzinnen als een probleem vanuit verschillende invalshoeken wordt bekeken. Dus zorgen we voor projectteams met diversiteit. Ook vinden we dat iedereen dezelfde kansen verdient. Dus hebben we benoemingsprocedures waar iedereen aan kan meedoen en zijn er afspraken over taal. En wat blijkt: het kost tijd en energie om elkaar te begrijpen, maar uiteindelijk leidt dat tot een leuker bedrijf, dat betere oplossingen biedt en waar je meer kunt leren.”

In 2018 werd u ‘ceo van het jaar’ van de Europese ingenieursbureaus. Het aantrekken van jonge mensen was een verdienste die u werd toegeschreven, en een toenemende winstmarge.
“We hebben extra energie gestoken in het bereiken van jonge mensen, maar niet per se met het doel te groeien. Groei en rendement zijn resultaten van wat je doet, geen doel op zich. Ik wilde dat ons bedrijf meehelpt aan oplossingen voor grote maatschappelijke uitdagingen. De duurzame ontwikkelingsdoelen van de Verenigde Naties vertellen ons voor welke uitdagingen we staan als wereld. Het zijn er zeventien en meer dan de helft gaat over dingen waar wij als ingenieurs mee bezig zijn, zoals energietransitie, duurzame productie, steden, water etcetera. Met alle vierduizend projecten die we jaarlijks uitvoeren, kunnen wij maximaal bijdragen aan die doelen.”

Welke band heeft u met de TU Delft?
“Om als ingenieursbureau goede oplossingen te bedenken moet je op de hoogte zijn van de meest actuele kennis. Die halen we mede bij de TU Delft. Ik onderhoud contacten met hoogleraren, met de decaan… zodat we vooraanstaande kennis blijven houden en toepassen.”

Inmiddels bent u geen directeur meer, maar adviseur. Waarom?
“In de statuten van Witteveen+Bos staat dat je terug moet treden als directeur als je 55 jaar wordt. Ik krijg vaak de vraag waarom dat is. Het is de bedoeling om in een andere functie bij te dragen aan verdere businessontwikkeling. Ik vind het interessant om mijn kennis en ervaring in te zetten voor de toekomst, zonder dat ik het corvee heb van een bestuurder.
Door die leeftijdsregel kon ik zitting nemen in de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur. Het gaat me niet om prestige. Ik vind het interessant dat een inhoudelijk gedreven raad het kabinet adviseert over leefomgeving en infrastructuur. Het is belangrijk dat ingenieurs bijdragen leveren aan dat soort ‘clubjes’, netter gezegd gremia. Het gaat immers over ons vakgebied. Ik wil graag meepraten.”

Welke onderwerpen wilt u in de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur agenderen?
“Ik heb ‘herijking van natuurbeleid’ ondersteund. De teloorgang van de biodiversiteit gaat me enorm aan het hart. Als we het vergroten van de biodiversiteit kunnen combineren met de woningbouwopgave, dan werk ik daar heel graag aan mee. Ook op het gebied van infrastructuur ligt er een grote taak. Vele bruggen en wegen moeten worden gerenoveerd, maar hoe doen we dat circulair en met herstel van biodiversiteit?
Voor grote maatschappelijke uitdagingen zoals klimaatadaptatie en biodiversiteit is veel geld nodig. Ik heb net een rondje gesprekken met bankiers en pensioenuitvoerders achter de rug. Ze staan te springen om duurzame beleggingen, maar ze zijn er niet voldoende. Het is mijn ambitie is om de werelden van de duurzaamheid en het geld bijeen te brengen, bijvoorbeeld met een project dat natuurgebieden combineert met duurzame energie. Er moet een businesscase zijn: fatsoenlijke pensioenen en bijdragen aan duurzaamheid moeten hand in hand gaan. Dat is pas écht duurzaam.”

CV

Karin Sluis studeerde civiele techniek in Delft en specialiseerde zich in waterbouwkunde. Na haar afstuderen in 1989 trad ze in dienst bij Witteveen+Bos als specialist stedelijke waterhuishouding. In de loop der jaren vervulde zij verschillende leidinggevende functies bij het internationale advies- en ingenieursbureau op het gebied van water, infrastructuur, milieu en bouw; in 2013 werd ze er algemeen directeur. Ze trad af als directeur in het jaar dat ze 55 werd. Ze is er nu senior-adviseur, waardoor zij nauw betrokken blijft bij de koers van de onderneming.

Naast haar werk bij Witteveen+Bos was Sluis lid van het Topteam van de Topsector Water & Maritiem. Ze is verder lid van de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur, bestuurslid van het domein Toegepaste en Technische Wetenschappen van NWO en lid van de Raad van Toezicht van hogeschool Saxion.

/* */