Stedelingen hebben groen hard nodig. Voor zuurstof in de longen en rust in het hoofd. Voor het afvangen van koolstof en het opvangen van extreem weer. Voor evenwicht tussen de gebouwde en de natuurlijke omgeving. Maar in dichtbebouwde steden is op het maaiveld weinig ruimte voor groen. Wat te doen? Voor zijn afstuderen onderzocht en ontwierp Menno de Roode compacte stedelijke groene ruimten: “Door zoveel mogelijk de natuur te volgen, voorkom je onnodig onderhoud en beheer.”

In 2015 gaat Menno landschapsarchitectuur studeren aan de universiteit van Wageningen. Zijn belangstelling voor de integratie van natuurlijke processen in stedenbouw leidt hem via een uitwisselingsprogramma naar Singapore. “Ze zijn daar al ver met het ontwikkelen en sturen van natuur in de stad. De ene dag struinde ik door het regenwoud en de andere dag zag ik de planten terug in geveltuinen. Dan raak je vanzelf geïnspireerd.” Na zijn bacheloropleiding vervolgt hij zijn studie in Delft, waar hij zich verder bekwaamt in ecologisch verantwoord stedenbouwkundig ontwerpen. Aandacht voor groene ruimte in stadsplanning is op zich niet nieuw, zegt Menno. In wederopbouwwijken werd veel ruimte gemaakt voor tuinen en plantsoenen. “Maar aan de ontwerpen lag geen streven naar een natuurlijk functionerende stad ten grondslag. Het groen had voornamelijk een sociale, recreatieve en esthetische functie; de eenzijdige grasveldjes, perken en heggen deden weinig voor de biodiversiteit. Ze sloten ook niet aan op natuur in of buiten de stad.” Inmiddels leven we in een andere tijd. Instortende ecosystemen én klimaatverandering noodzaken andere vormen van stedenbouw. “De opkomende trend is: hoe kan het zo natuurlijk mogelijk?”

Van bergtop tot rivieroever

Ruimte voor groen wordt van oudsher op het maaiveld gezocht. Maar in de dichtbebouwde stad is die ruime beperkt. Gevels en daken bieden meer perspectief en groene muren en daktuinen winnen de laatste tijd terrein. Volgens Menno is daarbij wel ruimte voor verbetering. “Je ziet bijvoorbeeld steeds meer sedumdaken. Een afzonderlijk oppervlak bedekt met één of twee soorten vetplant doet echter niet zo veel voor de biodiversiteit.” Hij verzamelde en bedacht typologieën voor groenstructuren die het ecologisch functioneren én de leefbaarheid van de omgeving bevorderen. “Door de stad te beschouwen als een samenhangend geheel van biotopen, van bergtop tot rivieroever, kun je logische verbanden leggen tussen verschillende plekken en soorten die er gedijen.” Op een hoog gebouw wil je bijvoorbeeld geen tere plantjes die veel water nodig hebben. Ze moeten juist onder barre omstandigheden kunnen leven. “Door zoveel mogelijk de natuur te volgen, voorkom je onnodig onderhoud en beheer.” Landschappelijk gezien vormen verharde straten met hoogbouw een bergachtig, nogal schraal gebied, legt Menno uit. “Stedenbouwers hebben het niet voor niets over de urban canyon. Sommige vleermuizen, zwaluwen en een vogel als de slechtvalk voelen zich in zo’n stenige omgeving echter thuis. Door holtes en nestruimte in gebouwen te creëren, help je ze een handje.”

Groene typologieën

Groene patronen gebundeld in atlas

Van sky park tot pocket park en van eco-facade tot wildlife corridor: Menno kwam tot 34 groene patronen of structuren die hij, in aanvulling op zijn scriptie, beschreef en bundelde in een overzichtelijke atlas. Bij elke structuur staat aangegeven hoe goed deze scoort op ‘ecologie’ en ‘welzijn’. “Het idee is dat je op verschillende lagen en schalen, van klein naar groot, structuren creëert die op elkaar aansluiten en een ecosysteem vormen dat past bij de stad. Denk bijvoorbeeld aan een daklandschap dat verscheidene daken beslaat en via trappen of gevels verbonden is met het maaiveld en de bodem. Er kunnen zich verschillende soorten planten ontwikkelen en verspreiden. Ze trekken allerlei insecten aan en daar profiteren weer andere dieren van. Als zo’n daklandschap toegankelijk wordt gemaakt, kunnen mensen bovendien genieten van een aangename groene ruimte.” Hoe zit het met hooikoorts door pollen, huidirritatie door haartjes van eikenbladprocessierupsen en andere onaangename effecten van meer natuur? Menno grinnikt: “Ja, die zijn er. Ik noem ze ook in mijn scriptie. Het is daarom zaak dat een ontwerp ecosysteemdiensten bevordert maar overlast zoveel mogelijk voorkomt. Daarvoor is kennis van de natuur nodig.”

Stad in een park

Radicale vergroening

Menno paste zijn typologieën toe op Rotterdam en identificeerde een aantal kansrijke locaties. “Als je weet dat groene daken die wat lager liggen, tot 15 meter boven maaiveld, de biodiversiteit het meeste baten, helemaal als ze in de buurt liggen van groene gebieden, kun je bijvoorbeeld concluderen dat vergroening van een cluster platte daken nabij Ahoy, in de buurt van het Zuiderpark, de natuurlijke waarde van de leefomgeving absoluut zou verhogen.” Voor de Wijnhaven werkte hij een casus uit. “De gemeente wil hier verdichten. Ik heb een voorstel gemaakt voor radicale vergroening én zie kans om woonruimte toe te voegen.”  

Menno is een bezige bij. Hij zag ook kans om samen met een student biologie uit Leiden  -ook een van de deelnemers van het in het Urban Ecology Lab-  een experiment te starten. Hoe biodivers kan een daktuin zijn? “Een boomkweker in Cuijk gunde ons een plekje op zijn dak. We experimenteren er met zaadmengsels in drie grondsoorten. Welke planten groeien goed op welke grond? Welke insecten komen eropaf?” Het experiment loopt nog, maar Menno wil wel kwijt dat de lokale grond de hoogste bedekkingsgraad van vegetatie oplevert. “De kweker was even bezorgd dat het ‘onkruid’ zou overslaan naar andere delen van zijn daktuin. Terwijl ik juist bedacht dat de planten die zich zelfstandig ontwikkelen waarschijnlijk de meest geschikte vegetatie vormen voor een ecologisch sterke stad. Ze zijn immers optimaal aangepast aan een bepaald microklimaat.” Meer wildernis leidt tot meer weerbaarheid? “Ik denk van wel. Maar zo ver zijn we in ons hoofd nog niet. Behalve andere ruimtelijke patronen vergt de ecostad ook andere denkpatronen.”

Op de daktuin in Cuijck

Groene wanden op de campus

Thuis kijkt Menno uit op stenen muren. “Ik liep al een tijdje rond met het idee om het uitzicht op te fleuren door binnenshuis een groene wand te fabriceren. De pandemie was het zetje dat ik nodig had.” Door bevloeiingsmatten op platen te monteren kwam hij tot een verticale structuur waarop planten in doek kunnen wortelen en middels een pompje en een reservoir van water worden voorzien. Het prototype beviel zo goed dat Menno’s scriptiebegeleider en trekker van het Urban Ecology Lab, Nico Tillie hem vroeg om bij een landschapsarchitectuur elective, eerstejaars master studenten te  begeleiden zodat ze er ook drie voor de faculteit en één voor de Botanische Tuin vol met sla en peterselie konden maken. “Hartstikke leuk, zeker nu ik ze ook als ondernemer onder de naam Compact Green verder wil gaan ontwikkelen en verkopen. 

Slamuur in de Botanische tuin TU Delft

Meer informatie

Van 22  t/m 24 februari 2022 vindt online de internationale EcoCity World Summit plaats. Deze bijeenkomst is mede door TU Delft Bouwkunde georganiseerd en wordt voorgezeten door Dr. Ir. Nico Tillie en Prof. Dr.ir Andy van den Dobbelsteen

Menno vertelt tijdens deze Ecocity World Summit over zijn onderzoek en bevindingen.
De masterscriptie en atlas zijn hier te downloaden.

Lees ook het eerder gepubliceerde verhaal over Urban Ecology en het onderzoek van Nico Tillie.

/* */