Wat ga ik leren?

Bij Civiele Techniek krijg je veel technische vakken, zoals wiskunde, constructiemechanica en dynamica. Maar ook vakken over bijvoorbeeld gebiedsontwikkeling, milieutechniek en waterbouw komen aan bod. Daarnaast leer je op je computer te modelleren en 3D tekeningen te maken. En ontwikkel je vaardigheden op het gebied van rapporteren en presenteren.

De bacheloropleiding duurt drie jaar en bestaat uit een mix van verschillende onderwijsvormen, zoals hoorcolleges, werkcolleges en practica. De eerste 2 jaar volg je samen met je medestudenten hetzelfde onderwijsprogramma. Aan het begin van je derde bachelorjaar heb je de mogelijkheid om een half jaar lang je horizon te verbreden of om je te verdiepen in een onderwerp dat je aanspreekt.
 

Opbouw van de bachelor

Hieronder zie je het onderwijsprogramma per jaar. Elk studiejaar is opgedeeld in vier periodes van tien weken. In de eerste twee jaar volg je per periode gedurende acht weken vier verschillende vakken. De laatste twee weken sluit je af met tentamens. Het derde jaar kent een andere opbouw, in het eerste half jaar doe je een minor, waarin je zowel kan verdiepen als verbreden. Hierna kan je kiezen uit verschillende keuzevakken. Uiteindelijk rond je de bacheloropleiding af met een eindopdracht die veel weg heeft van een profielwerkstuk, het zogenaamde Bachelor eind project (BEP). Daarna mag je jezelf Bachelor of Science (BSc) noemen.

Wiskunde en Civiele Techniek

Bij Civiele Techniek gaat de wiskunde dieper in op bijvoorbeeld differentiaalvergelijkingen. Ook analyse en linearie algebra zijn heel belangrijk. Vandaar dat zo'n 20% van de opleiding uit wiskunde bestaat.

Leerlijnen

De vakken zijn opgedeeld in 4 verschillende leerlijnen: Wiskunde, Fundamenteel, Applicatie en de Bouwplaats. Iedere periode volg je een vak vanuit een van deze vier leerlijnen:

Bekijk de studiegids voor een overzicht van alle vakken van de bachelor Civiele Techniek.

 

In het eerste jaar leg je de basis voor je technische kennis met wiskunde, mechanica en constructievakken. Je maakt kennis met de deelgebieden Bouw en Transport, vakgerelateerde software en soft skills als presenteren en rapporteren. Ook start je met het ontwerpen van constructies en (technisch) tekenwerk.

In de tweede periode van het eerste jaar krijg je onder andere het vak ’Integraal Ontwerpen’ Hier ga je met een groepje aan de slag met een gebiedsontwikkeling project. Je leert over wat er allemaal bij komt kijken bij zo’n groot project en wat de stappen zijn voor het ontwerp. Je wordt hierbij begeleid door een ouderejaars student en een opdrachtgever van een bedrijf. Hierdoor krijg je veel informatie over hoe een vergelijkbaar project in werkelijkheid gaat. Je krijgt dus gelijk een kijkje in het leven van een civiel ingenieur.

Aan het eind van het eerste jaar krijg je het vak ‚ÄėOntwerpen van constructies en funderingen‚Äô. Bij dit vak werk je met een groepje aan een ontwerp van een hoofddraagconstructie voor een bouwwerk, inclusief de fundering. Je zal werken aan het technisch tekenen. Verder krijg je inzicht in het bouwen in en op slappe grond en welke gevolgen dit heeft voor constructies. Je volgt eerst een aantal hoorcolleges over het ontwerpen van draagconstructies en funderingen. Daarna ga je aan de slag met de stof in een practicum. Het project doe je in groepsverband met 5-6 studenten. Aan het eind lever je samen een verslag in.

In je tweede jaar verbreed je je technische basiskennis onder meer met differentiaalvergelijkingen, dynamica, vloeistof- en constructiemechanica. Daarnaast maak je kennis met het deelgebied Water en leer je programmeren.

Je krijgt dit jaar onder andere een vervolg op het vak 'Ontwerpen van constructies en funderingen'. In de tussentijd heb je veel geleerd over allerlei eigenschappen van gebouwen. Deze kennis ga je toepassen op een ontwerp. Je kijkt tevens naar de details van het gebouw, zoals de materiaal keuzes. Denk hierbij aan specifieke sterktes van gewapend beton en verschillende vormen staal profielen. Ondertussen ben je in staat om dit allemaal door te rekenen.

In de eerste helft van het derde jaar kies je een minor naar keuze. Deze mag je binnen de faculteit volgen, maar je kunt ook kiezen voor een minor bij andere faculteiten of universiteiten, of zelfs voor een minor in het buitenland. Met een minor krijg je de vrijheid om een half jaar lang je horizon te verbreden of je te verdiepen in een onderwerp dat je aanspreekt. Op de manier waarop jij dat wilt. Je kunt bijvoorbeeld infrastructurele projecten verbeteren met behulp van logistiek of je kunt gerichte oplossingen bedenken voor duurzaamheidsvraagstukken op het gebied van water, energie, materialen en constructief ontwerpen. Het is ook mogelijk om te kiezen voor een samenhangend vakkenpakket, een stage of een studie in het buitenland. Een goed gekozen minor helpt je om de carri√®re richting te vinden die bij je past √≥f te ontdekken welke master je na de bachelor wilt volgen.

Het tweede semester staat vooral in het teken van de bachelor eindopdracht. Waarin je aan de slag gaat met een onderzoeksopdracht. Ook hier heb je de vrijheid om een onderwerp te kiezen in de richting die jou het meest aanspreekt. Bij goed resultaat mag je jezelf daarna Bachelor of Science (BSc) noemen.