Techniek met en voor vakmensen

Robot-ontwikkelaars deden al vele pogingen om de zorg te ondersteunen. Het levert veel te weinig op. Met verpleegkundigen in het Erasmus MC liet hoogleraar Mens-robotinteracties David Abbink zien hoe je dat patroon kunt doorbreken. "Ik had geen idee wat ze deden."

Door Rianne Lindhout  •  11 december 2023

David Abbink, Professor Haptische Mens-Robot Interactie bij de TU Delft © Guus Schoonewille

U kent ze misschien, die schattige robotjes. Heuphoog en met grote ogen rijden ze rond en praten met je. Ze kunnen kinderen begeleiden om beter met hun diabetes om te gaan, of ouderen gezelschap houden. Ideaal zou je denken, gezien het personeelstekort in de zorg dat gestaag groeit van vervelend naar nijpend.  

Helaas valt de hulp van die leuke robotjes tegen, zegt hoogleraar Mens-robotinteracties David Abbink van de TU Delft. “Deze Pepper-robots zien er koddig uit, maar de meeste staan in een hoek stof te vangen. In ziekenhuizen en in klaslokalen waar ze zouden helpen met rekenonderwijs. In demo-filmpjes zie je ze leuke gesprekken voeren, maar in werkelijkheid interacteert zo’n robot slecht. Het is nog niet veel meer dan een rijdende iPad.” 

 

Werkloos apparaat 

Er is veel technische ondersteuning ontwikkeld voor de zorg, maar je ziet er maar weinig van terug op de werkvloer. Hoogleraar Verplegingswetenschap Monique van Dijk van het Erasmus MC vertelt dat zo’n mislukking soms in heel kleine dingen zit. “In het Erasmus MC werden slimme bedden geïntroduceerd die ook de patiënt op bed konden wegen. Dat scheelt veel gedoe als patiënten niet zelf uit bed kunnen komen. Alleen: er was onvoldoende uitgelegd hoe het werkte en verpleegkundigen vertrouwden de uitkomst niet altijd. Het apparaat raakte werkloos. Dat gebeurt ook als bijvoorbeeld onduidelijk is waar je een storing kunt melden.” 

Abbink verwacht dat implementatie nog lastiger wordt met opkomende technologie die zelf kan leren, zoals robotische assistentie. Hij wil dat deze ontwikkelingen beter aansluiten op wat er nodig is op de werkvloer. “Zodat vakmensen ook op de lange termijn met plezier zorg blijven verlenen. Alleen dan kan technologie helpen tegen personeelstekorten.” Abbink leidt het onderzoekscentrum FRAIM, waar onderzoekers in gecontroleerde omgevingen vrijuit kunnen experimenteren met technologie en de impact ervan kunnen testen. Dat gebeurt op het gebied van mechanisch en reparatiewerk, in de zorg, maar ook voor de bagageafhandeling op Schiphol

Monique van Dijk
David Abbink
Iris Wallenburg

Alleen met niet-academische kennis erbij kan wetenschap verschil maken

Of ze nu de bewoners van een woonwijk aan een betere gezondheid willen helpen of een groep boeren aan een duurzame bedrijfsvoering. Steeds meer wetenschappers die maatschappelijke verandering tot stand willen brengen, ontdekken dezelfde onmisbare succesfactor. Namelijk: transdisciplinair samenwerken. 

Begin deze eeuw werd interdisciplinair onderzoek een trend. Bij ongezond gedrag speelt bijvoorbeeld armoede of andere stress vaak een rol. Simpelweg advies geven over een gezondere leefstijl werkt totaal niet. Medici komen hier in hun eentje niet uit. Een interdisciplinair team met onder meer gedragswetenschappers en sociologen komt al verder, maar een gezondere woonwijk krijgt ook dit team niet voor elkaar. Daarvoor moet het samenwerken met alle partijen die een rol kunnen spelen bij de oplossing. Bijvoorbeeld buurthuizen, huisartsen, planologen en andere beleidsmakers en vooral: de wijkbewoners om wie het gaat. Zulke transdisciplinaire wetenschap voorkomt blinde vlekken. 

Blinde vlekken 

Technologieontwikkeling is slechts een klein stukje van de puzzel die Abbink wil oplossen om echt relevante werkinnovaties te ontwikkelen. “Vaak zijn de beste oplossingen helemaal niet technologisch, maar sociaal, organisatorisch of logistiek. Ik weet veel over hoe je robots en mensen kan laten samenwerken, een psycholoog weet hoe je welzijn op de werkvloer onderzoekt en stimuleert. Het probleem is dat iedereen blinde vlekken heeft. Om een effectieve robot of andere technologie te ontwikkelen, moeten we dus een diverse groep wetenschappers, vakmensen en ervaringsdeskundigen hebben, die samen werken aan collectieve blind-spot-reduction.”  

Abbink kreeg een half jaar de kans om zijn ideeën daarover te testen in het Erasmus MC in een pilot-project. Het startpunt was het systemische probleem van het groeiende tekort aan verpleegkundig personeel. Hiervoor bestaat geen gemakkelijke oplossing, er wordt hulp gezocht in robotica. In plaats van meteen met een prototype op de proppen te komen, stelde Abbink een breed team samen van jonge onderzoekers. Met een verpleegkundig wetenschapper, een organisatiekundige, een ontwerper, een roboticus, een sociaal wetenschapper en een innovatie-expert. Het team las zich in, bezocht de werkvloer en vond een team van verpleegkundigen om mee samen te werken. Vervolgens ‘schaduwden’ ze twee oncologieverpleegkundigen om heel precies te achterhalen hoe hun werk eruitziet.  

 

Veel tijd kwijt aan zoeken 

Dat was verrassend, zacht gezegd. Abbink: “We hadden eigenlijk geen flauw idee wat verpleegkundigen deden. Wat is hun werk complex en wat doen ze veel! Wat er ook gebeurt, ze lopen alle gaten dicht. Heel knap.” Senior-oncologieverpleegkundige Janno Wouters was zelf ook verbaasd. “Ik wist wel dat wij ontzettend veel doen, creatief zijn en goed brandjes kunnen blussen. Ik zie ook op mijn stappenteller dat ik veel loop. Maar toen ik de routes op papier zag, was dat toch wel een eyeopener. Nooit gedacht dat ik zoveel rondes over de afdeling en langs de patiënten liep.” 

In een workshop waarbij ook de teamleiders van de verpleegkundigen waren, bracht de groep in kaart wat er nodig, wenselijk en misschien mogelijk is in hun dagelijks werk. Hoogleraar Verplegingswetenschap Van Dijk: “Een bed opmaken is niet leuk bijvoorbeeld, maar ondertussen praat je wel met de patiënt. Zo moet je steeds afwegen of technologie van toegevoegde waarde is.” Ze hoopt dat technologie op een ander vlak wel kan helpen: “Verpleegkundigen zijn ontzettend veel tijd kwijt aan het zoeken naar spullen en dat vinden ze heel irritant. Dan heb je wondmateriaal nodig, maar het is op. Wat nu? Dan loop je maar weer naar de afdeling Plastische chirurgie.” 

 

Oncologieverpleegkundigen ontdekken tijdens een workshop de mogelijkheden van een robotarm. Door deze fysieke ervaring ontstonden er meer concrete ideeën voor plausibele robotondersteuning voor hun werk: bijvoorbeeld het afnemen van de bloedafnamebenodigdheden of medicijnen van (of het overhandigen ervan aan) de verpleegkundige. © David Abbink

FRAIM werkt aan het werk van de toekomst 

Door vergrijzing moeten in de toekomst minder werkenden voor meer niet-werken produceren en zorgen. Robotisering kan een deel van de oplossing zijn. In onderzoekscentrum FRAIM staat centraal hoe mens en robot op de werkvloer symbiotisch kunnen samenwerken. Efficiënt, maar ook zinvol werk is het doel. De onderzoekers combineren daarom technische en sociale wetenschappen en benutten daarnaast niet-academische kennis van betrokken medewerkers en organisaties. Abbink: “Een kernonderdeel van de FRAIM-methode is dat mensen uit alle lagen van de organisatie tijd maken om te luisteren naar elkaar, getriggerd door een reflectie op wat de onderzoekers begrepen hebben van het meelopen op de werkvloer.” KLM Engine Repair en de afdeling bagage-afhandeling van Schiphol maken al gebruik van de expertise van FRAIM. Ook in de bouw, de schoonmaak en in kabels leggen voor de energietransitie liggen kansen. 

Waarom hoor ik dit nu pas? 

Teamleiders en managers hoorden soms voor het eerst waar hun mensen zoal tegenaan lopen. “Waarom hoor ik dit nu pas”, klonk het. Tja, normaal gesproken passen verpleegkundigen er wel een mouw aan: geen tijd om te bedenken dat er misschien ook alternatieven mogelijk zijn, en klagen doen ze dus niet. Wouters: “Het verbaasde me wat er gebeurde toen ik werd gestimuleerd beperkingen los te laten en mijn geest de vrije loop te laten gaan. Ik merkte dat ik me anders nogal laat beperken door gedachten als: kan dit wel, is het überhaupt mogelijk?” Zijn collega Ada Langendoen is enthousiast na het uitproberen van een robotarm tijdens de workshop. “Ik zie nu wel mogelijkheden voor verbetering in het aanleveren en klaarmaken van medicatie.” 

 

Goed voor de relatie 

In de laatste bijeenkomst vond reflectie plaats. Abbink: “Verpleegkundigen zijn bang dat robots vooral zorgen dat ze meer patiënten moeten behandelen in minder tijd. Terwijl zij hopen op meer tijd voor contact met patiënten. Teamleiders zeiden: ‘Tja, wij hebben ook een gat te dichten.’” Die eerlijke uitwisseling zorgde dat wederzijds begrip ontstond voor elkaars situatie. Ze zagen dat ze een gezamenlijk probleem hebben en dat was goed voor de relatie. 

Is er misschien toch een idee ontstaan voor een apparaat dat niet als stofvanger in een hoek belandt? Een slimme voorraadkast die zelf materialen voor wondgenezing bestelt als ze bijna op zijn? Zo ver is het nog niet, aldus Abbink. “Dit was een eerste stap, een aanzet om uit te proberen hoe je aan de slag kunt gaan met de complexe vragen op de werkvloer. Daarin zijn we goed geslaagd, we hebben met vertegenwoordigers uit elke laag van de organisatie boven water gehaald hoe je impact op de werkvloer vooropstelt in onderzoek en innovatie.”