Afrika telt veel hagelnieuwe steden die uit het niets lijken opgedoken in het landschap. Hun rigide stedenbouwkundige opzet maakt ze ongeschikt voor de uitdagingen van de toekomst, constateert promovendus Rachel Keeton. Zij ontwikkelde ontwerpprincipes voor duurzame, adaptieve 'New Towns'.

 Op de plaats waar Kilamba New City ligt, was vijftien jaar geleden helemaal niets. Nu staan er op de locatie twintig kilometer buiten de Angolese hoofdstad Luanda zo'n 30.000 vrijwel identieke appartementen. Ze zijn volledig geproduceerd in China. “Bewoners kunnen niet eens een lampje vervangen want Angolese lampen passen niet in een Chinese fitting”, vertelt Rachel Keeton. “Het is typisch dat nieuwe steden vaak eilanden zijn, zonder band met hun omgeving. Dat is geen duurzame manier van bouwen.” 

Kilamba is een extreem voorbeeld van wat er mis is met de meeste nieuwe steden van Afrika. Bijna allemaal zijn ze ontworpen als enclave, monotoon qua opzet, met een rigide fysieke infrastructuur en niet berekend op natuurlijke groei. Op de klimaatuitdagingen van de toekomst zijn ze, op een enkeling na, totaal niet voorbereid. Ze kunnen geen regenwater opvangen en opslaan, lokale materialen worden zelden gebruikt voor de bouw, van de regionale cultuur zie je niets terug.

Keeton telde in heel Afrika 146 voorbeelden van dit soort volgens een 'tabula rasa' methode gebouwde steden. De kleinste is ontworpen voor 10.000 inwoners, de grootste – de nieuwe Egyptische hoofdstad Wedian City – moet ongeveer 15 miljoen inwoners krijgen. Het fenomeen is niet nieuw in Afrika, maar sinds de jaren negentig is er een andere, neoliberale aanpak. Keeton deed onderzoek Angola, Egypte, Ethiopia, Ghana, Kenya, Marokko en Tanzania. Het is geen toeval dat vooral daar nieuwe steden zijn te vinden, want 61 procent van de mensen woont hier in 'informele nederzettingen'.

Sloppenwijken verdwijnen overigens niet door de komst van New Towns, want het zijn veelal enclaves met 'gated communities' voor rijkere inwoners. De leegstand is er groot, want de huizen zijn duur en financieringsmethoden staan nog in de kinderschoenen. Hypotheekrentes zijn vaak schrikbarend hoog: in Ghana bijvoorbeeld zo'n 24 procent.

Geen kant-en-klare producten

Keeton raakte door het fenomeen gefascineerd als medewerker van het International New Town Institute in Almere. Met haar onderzoek wilde ze vooral de vraag beantwoorden wat er moet gebeuren om er betere steden van te maken. In haar proefschrift 'African New Towns: An adaptive, principle-based planning approach' constateert ze dat het noodzakelijk is dat steden op duurzame groei worden ontworpen. “Steden zijn geen kant-en-klare producten. Ze moeten zich kunnen aanpassen aan veranderende omstandigheden”, legt ze uit. “Planning van een stad is een proces dat nooit ophoudt.”

Bovendien moeten er stedelijke functies zijn die ruimte geven aan ontwikkeling. Scholen bijvoorbeeld, want die maken groei in kennis en inkomen mogelijk. Andere ontwerpprincipes waarvoor ze pleit hebben te maken met de leefbaarheid van de stad. Mensen voelen zich meer thuis als het ontwerp aansluit bij lokaal erfgoed en als bestaande landschapselementen fungeren als ruggengraat. Ook pleit ze voor voorzieningen voor de jeugd en voor goed openbaar vervoer. Verder zouden nieuwe steden groei aan de stadsgrenzen beter moeten accomoderen. Informele woonvormen die vaak rond de steden opschieten zou je moeten kunnen aankoppelen op de riolering of het energienet. Tenslotte pleit ze voor een meer bottom-up benadering van het planningsproces: betrek bewoners erbij.

Dat laatste betrok Keeton ook op zichzelf. Ze legde haar planningsprincipes voor aan bewoners, ontwikkelaars en besluitmakers tijdens drie workshops. In Zanzibar gebruikte ze zelfs een 'serious game' om belanghebbenden uit te dagen hun mening te geven. De respons op haar principes was positief. Slechts één voorstel dat ze toevoegde – bouw helemaal geen nieuwe steden meer – stuitte op algemene afkeuring. Keeton: “Elke New Town is beter dan géén New Town. Daar was iedereen het over eens.”