Taal als aanknopingspunt

Een vaart met bomen erlangs wordt nét iets aantrekkelijker als je hem een 'groene tunnel' noemt. Taalvondsten helpen stedebouwkundige ontwerpen te verkopen, maar geven achteraf ook inzicht in mislukkingen, ontdekte MaartenJan Hoekstra in zijn promotieonderzoek. Hij toont ook hoe de betekenis van stedebouwkundige begrippen in de loop der jaren verandert. 

Copyright: Marcel Krijger


Wat bezielde de ontwerpers van de Bijlmermeer om honingraatflats consequent IHV's te noemen en de collectieve ruimtes ertussenin ICG's? Verbeteren van de communicatie was vast niet het doel, denkt Hoekstra. “Integendeel, hun plannen waren helemaal niet gemaakt voor de communicatie. En dat is dan ook nooit gebeurd.”

Hoekstra is zowel bouwkundige als taalkundige en het onderwerp voor zijn promotie is daarvan een afgeleide. Voor zijn dissertatie 'Stedebouwkundig(e) ontwerpen in woorden. Honderd jaar stedebouwkundige begrippen' ploos hij als een ware Sherlock Holmes drie grote Amsterdamse stedenbouwkundige plannen uit: Plan Zuid (1900-1917), Bijlmermeer (1962- 1968) en IJburg (1995-2003). Het zijn prominente voorbeelden van een voortdurend veranderende maatschappelijke context, met talloze spelers. Politici, ontwikkelaars, stedebouwkundigen, architecten, journalisten en bewoners hebben allen hun eigen belangen en spreken een eigen taal. Deze begripsverwarring staat een goede planvorming, ontwerpinterpretatie, communicatie en totstandkoming in de weg. Hoog tijd dus voor nader onderzoek.

De duiding van het 'technocratische' Bijlmer-plan vindt Hoekstra niet heel ingewikkeld. Dat was een-tweetje tussen een groep jonge stedenbouwkundigen en een enthousiast gemeentebestuur om een rationele, opgeruimde middenklassewijk uit de grond te stampen voor de maakbare samenleving van de toekomst. Overtuigen met argumenten was niet meer nodig. “Alles was allang beklonken, dat zie je aan de onleesbare planschets en onbegrijpelijke woorden,” zegt Hoekstra terwijl hij er een soort vlekkentekening bij pakt. “Dit had toch ook de bouwtekening van een computer kunnen zijn?” De paar journalisten die niet overtuigd waren, gebruikten andere taal. De Bijlmerflats waren 'woonplakken' en de groene ruimtes ertussen 'reservaten'. Werd de Bijlmer door gebrek aan communicatie een misser? Nee, bezuinigingen op essentiële onderdelen, zoals de 'droogloop', draaiden het plan mede de nek om, stelt Hoekstra. Maar de gebruikte 'object-woord-betekenisrelaties', neologismen en synoniemen in de planvorming zijn wel aanknopingspunten om extra inzichten in een plan te krijgen.

Het Plan Zuid vereiste meer detectivewerk. Architect Hein Berlage maakte een tekening en een toelichting van 20 pagina's voor een wijk met ‘arbeiderspaleizen’ te midden van monumentale, lommerrijke lanen. Sommige details uit de toelichting bleken in de wereldberoemde plankaart echter onvindbaar. Bij archiefonderzoek ontdekte Hoekstra uiteindelijk de originele tekening, die zelden wordt afgebeeld. “De gemeente heeft hem destijds in een la geschoven, omdat ze het niet eens was met de detailgraad, bijvoorbeeld van de tramroutes.” De geleidelijke betekenisverandering van woorden is in dit oudste plan het best te zien. 'Buurt' en 'wijk' waren in Berlage's tijd synoniem en een 'eengezinswoning' bestond nog niet. Dat heette honderd jaar geleden een 'eengezinshuis'.

De taal in plan nummer drie, IJburg, is opvallend beeldend en bijna manipulatief. In de schetsen van Frits Palmboom is alleen blauw en groen gebruikt. Alsof er nog meer natuur kwam met de ontwikkeling en bebouwing in het IJmeer. De 'groene tunnels' (die groen noch tunnel waren) en 'vizieren' (gericht op ‘openheid’) zijn eveneens voorbeelden van metaforische beeldtaal.

Is het belangrijk dat ontwerpers taal gebruiken om hun ontwerpen te verkopen? “Ontwerpers moeten zich net als de andere 'spelers' vooral bewust zijn van de kracht van taal”, zegt Hoekstra. “Aan de andere kant: alle prachtige neologismen beklijven zelden.”