Doorgewinterd docent Elise van Dooren heeft honderden bouwkundestudenten de kneepjes van het vak geleerd. De onderwijskundige aspecten van haar werk hebben haar altijd geboeid. Zozeer zelfs dat ze tien jaar geleden besloot een kwestie die haar al langer bezighield grondig te onderzoeken: hoe krijgen aspirant-ontwerpers beter mee wat ontwerpen an sich inhoudt? Ze ontwikkelde een raamwerk van vijf basisbegrippen die docenten en studenten in staat stellen de dikwijls complexe ontwerppraktijk te verankeren in het leerproces. 

 “Lesgeven is zo’n mooi vak.” Al zo’n dertig jaar doceert Van Dooren bouwkundige vakken aan de faculteit Bouwkunde. Zoals vele collega-docenten, zowel aan de faculteit als aan andere ontwerpopleidingen, is ze opgeleid tot ontwerper, niet tot docent. “Gaandeweg mijn loopbaan kreeg ik de indruk dat we als professionals geneigd zijn studenten aan te spreken als collega-ontwerpers”, zegt Van Dooren. “We zijn goed in staat zijn om ze te laten toewerken naar het resultaat van een ontwerpproces, een product. Maar de voor elke beginneling fundamentele vraag wat dat ontwerpproces zelf inhoudt, blijft naar mijn idee onderbelicht.”

Zelfvertrouwen

Wat wordt er van mij als ontwerper verwacht? Hoe dien ik deze opgave aan te pakken? Wanneer antwoorden op zulke fundamentele vragen aanvankelijk vaag of impliciet blijven, schept dat onzekerheid, weet Van Dooren uit eigen ervaring. “Als docenten moeten we studenten juist zelfvertrouwen geven, door ze vanaf het begin te leren denken als een ontwerper. Hoe dat zou kunnen heb ik onderzocht en in bescheiden mate uitgeprobeerd.”

 Van Dooren volgde onderwijskundige vakken aan de Open Universiteit, las veel over onderwijs én over het ontwerpproces. “Tien jaar geleden leek het logisch mijn praktijkervaring en mijn nieuwsgierigheid naar mogelijke verbetering van die praktijk in een promotieonderzoek samen te brengen.” Ze deed het onderzoek voornamelijk in haar eigen tijd. “Door het ‘erbij’ te doen, heb ik mijn ideeën kunnen laten rijpen.”

Raamwerk

Van Dooren ontwikkelde een eenvoudig raamwerk van vijf grondslagen, de elementaire delen van elk ontwerpproces. In willekeurige volgorde zijn dit: Experimenteren, Richtinggevende thematiek, Domeinen, Referentiekader en Laboratorium (beeldtaal). “In de literatuur worden tientallen termen en begrippen die min of meer hetzelfde betekenen door elkaar heen gebruikt. Dat schept verwarring. De bedoeling is dat deze basisbegrippen – het zijn er maar vijf – een houvast geven.” In ontwerpstudio’s en andere onderwijssituaties kunnen docenten aan de hand van deze grondslagen het ontwerpproces duiden en met de studenten verder uitdiepen.

 Van Dooren legde haar uit de vakliteratuur gedestilleerde grondslagen voor aan expert-ontwerpers, die zich erin herkenden. “Mijn aanname dat er weinig aandacht is voor het ontwerpproces heb ik getoetst in lessen aan eerstejaarsstudenten in Delft. Daarna zijn de begrippen toegepast in lessituaties, hier in Delft en aan de Academie van Bouwkunst in Groningen.”

Voorzichtige conclusie

De voorzichtige conclusie luidt dat studenten die vertrouwd worden gemaakt met de begrippen inderdaad een beter beeld hebben van wat ontwerpen inhoudt én meer vertrouwen tonen in het eigen handelen. Van Dooren: “Dat is natuurlijk een mooie bevinding. Het zou geweldig zijn om te kunnen testen of dit effect zich ook op grotere schaal voordoet.” Hoewel het raamwerk gebaseerd is op onderzoek naar bouwkundig ontwerponderwijs, lijkt een meer algemene toepassing goed mogelijk. “Ja, de begrippen zijn universeel genoeg om te kunnen worden ingezet aan allerlei ontwerpopleidingen, technasia inbegrepen.” Ze is van plan om het proefschrift om te werken naar een toegankelijker, bruikbaarder vorm. “Welke vorm precies, daar ben ik nog niet uit. Suggesties zijn welkom.”

Gepubliceerd: oktober 2020
Headerfoto: Luuk Kramer
/* */